Pages Navigation Menu

Flatliners troost

Regelmatig overvalt hem een duister en diep depressief gevoel zonder ogenschijnlijke aanleiding. Een volslagen treurigheid die nergens aan vast zit. Niet aan iets wat hij  ziet, hoort of leest. Het kan in gezelschap voorkomen maar ook als hij alleen is. Het kan enkele minuten duren maar ook dagen. De zwaartekracht lijkt zich dan in zijn lichaam te verdubbelen, zijn maag is misselijk, koud vloeibaar lood kruipt door zijn aderen omhoog, er is geen wil meer tot bewegen,  praten bestaat niet meer, het ademen is net voldoende. Dan komt er leegte, er is geen pijn of wanhoop meer, maar er is een dove leegte, een traag stroperige grijze leegte, die uitdrukt er niet te willen zijn. Levend gestorven,  om met zijn held Wittgenstein te spreken.

Hij kent de Duitse levensfilosoof Schmid die zegt dat alleen bij de gratie van ellendige gevoelens geluksgevoelens kunnen bestaan. Nou,  hij zou onmiddellijk alle geluksgevoelens voor de rest van zijn leven willen opgeven als hij deze vlagen van depressieve horror vacuüm niet meer hoefde mee te maken. Soms komen er toch nog enkele woorden fluisterend uit zijn mond, spontaan, zonder de bedoeling ze uit te spreken, volkomen buiten hem om alsof een ander voor hem buikspreekt: “ik wil niet meer.” Wat er mee bedoeld wordt blijft hem duister. Niet meer leven? Niet meer bewegen? Niet meer wat?

Soms vindt hij slordig geschreven regels op een kladje: ‘.. En in het stilste van de nacht, tot luisteren gedwongen, schreeuwt en huilt het in de kelder, tiert en krabt het beest tot uitputting aan zijn kooi, tot honger en dorst hem op de kapotte knieën drukt, in een eigenaardige dood: hij is levend gestorven. En de wind zal opsteken als ik verkruimeld en pulver ben, verwaaid, waar ben je dan, als het zover komt?’.

Ooit waren er voorjaarsdagen waarin al het leven schreeuwend openbarstte , alles zijn plaats in de zon opeiste en alle lust zich brutaal naar voren drong. Die wereld is hem nu verworden tot een haperende zwart wit film, een stomme film, versleten tot een koud bericht uit een vreemd tijdperk, van een vreemd persoon op vreemde oude plekken.

Pas als het ergste voorbij is kan hij over zijn ellendige toestand enigszins nadenken.Waar pijn zit, daar zit het leven, zegt de dichter Kopland. Maar hier zit geen pijn, hier zit vacuüm, een gapend gat, de afwezigheid van leven. Hoe kom je daar uit? De  een vecht ergens voor, de ander ergens tegen. Maar hoe kom je er uit als vechtlust je vreemd is? Wat is het sterkste gevoel die het tegendeel is van leegte en levenloosheid ? Is dat niet Liefde? Wat maakt dan dat er op die ellendige ogenblikken geen Liefde meer in of uit stroomt?

Te ver, te diep en te lang nadenken put hem snel uit en dan is hij weer bij af en doemt de leegte weer op. Als een beschermende, gapende afgrond tegen al te veel inzicht? Dan blijft hem niets anders over dan tijdig de nabijheid en troost te zoeken bij iemand die ziet dat  hij in een flatliner verandert en die, als de monitor weer gaat piepen, zijn hand pakt. Troost is dan de genade.

Troost is de grootste van allemaal omdat ze je hand vasthoudt en streelt.

 

 

Facebooktwitterlinkedinmail