Pages Navigation Menu

Het fatale afscheid

Als Theo’s hand de autosleutel in de rechterbroekzak van zijn spijkerbroek vindt weet hij dat hij zo meteen, met het wegrijden, zijn zelfgekozen kerker binnen gaat en dat hij de sleutel door de tralies ver weg zal gooien, dat hij zijn laatste beschikking heeft getekend en dat de wereld definitief zal stoppen. De autosleutel voelt voor zijn koude handen warm aan en hij aarzelt met een ingehouden beweging om hem tevoorschijn te halen, om hem in de buitenwereld te brengen waar de werkelijkheid van dit fatale afscheid zonder enig oordeel en moeite zal toeslaan, onontkoombaar, onafwendbaar als een frontale botsing op volle snelheid. Daarna, weet hij, zal het stil worden, zal er niets meer bewegen wat tot voor kort nog enige betekenis had, wat kleur gaf, warmte straalde, en de moeite waard was om voor wakker te worden.

Naast de auto, achter het beregende raam van de bestuurdersdeur staat Paula, bleek als deeg, met een volkomen vlakke, wezenloze mimiek, een masker waar de tranen onophoudelijk uit stromen maar niet van haar lijken te zijn. Het doet hem onmiddellijk denken aan de moeder die hij kende, die aan het meedogenloze grafje stond van haar verongelukte zoon, enkele weken terug nog een levendige kleuter in een fel rood jasje en eigele laarsjes. Die moeder had eenzelfde vaalbleek, versteend gezicht, met leeg starende ogen waaruit onophoudelijk de rauwe pijn stroomde.

Er zijn schepen die thuis komen naar hun plek om te sterven. Er zijn woorden, zinnen, lange zinnen vol leven die tenslotte in brokjes uit elkaar vallen, verkruimelen totdat je ze niet meer snapt en vergeet waarover ze gingen. Er zijn verlaten, bewegingsloze zee├źn die nooit meer aan land zullen komen. Onbegrijpelijk waarom deze gedachten in een split second uit een onverwachte hoek van Theo’s brein komen, maar wat begrijpen we eigenlijk van onszelf?

Als Theo de sleutel in het contactslot duwt, langzaam, terwijl hij elk metalen klikje van de sleuteltanden hoort, alsof het de laatste tikken van een tijdbom zijn die hem zal verpulveren, hoort Paula ergens buiten, of is het van binnen, vanuit het niets, een holle stem, orakelachtig rustig maar dwingend: Ga niet ! Ga nooit meer weg !

Theo aarzelt een ogenblik maar draait dan de sleutel om; de auto start onmiddellijk. Het is een zacht zoemend geluid, nauwelijks hoorbaar en het kruipt als een schaduw de binnenkant van zijn brein binnen en verduisterd alles wat niet gevoeld wil worden. Hij kijkt opzij en glimlacht flauwtjes naar haar, uit verlegenheid, en weet dat het een zinloze, eigenlijk een laffe troost voor haar is. Maar wat kan een mens doen bij zo’n godverlaten afscheid?

Afscheid is een verloren verlangen. Afscheid is de hevigste vorm van samenzijn. Hij weet het maar kan het geen seconde verdragen. Hij kan er volstrekt niet tegen, niet tegen het martelende gemis dat zal gaan komen: de lichtheid waarmee ze zijn bestaan optilt, het kalme strelen van de aan elkaar opgelopen littekens, het zo grage uitleveren aan haar en de gekke drang om alsmaar voor haar te willen zorgen. Naar zijn zelfgebouwde kerker gaan is nu de enige plek om te overleven. Of om dood te gaan.

Het is allang niet meer belangrijk waarom ze uit elkaar gaan. De reden is inmiddels een duister labyrint, een raadsel geworden dat zij beiden al lang niet meer kunnen oplossen. Ergens op een niet aanwijsbaar punt zijn ze in elkaar verdwaald geraakt terwijl ze tegelijkertijd elkaars hand toch niet hebben losgelaten. Iets werd door de ander alsmaar niet ingevuld maar beide weten niet wat dat is. Ze willen ook niet bij elkaar weg maar het is alsof het Onheilspellende hen opdraagt het toch te doen en ze gehoorzamen eraan zonder te weten waarom. Is het een opdracht met een hoger doel? Of een kwaadaardigheid van het Lot? Een ultieme test? Is het iets tijdelijks, iets…wat is het?

Paula lijkt nu door haar tranen heen iets te willen zeggen, of zijn het alleen haar mondhoeken die trillen, het is niet goed te zien door de half beslagen ruit. Ik wil het niet horen, denkt Theo, het scheurt het afscheid alleen maar verder open, ik wil het niet meer horen, ik moet hier weg, weg.

Paula kijkt naar zijn gezicht dat door de half beslagen autoruit en haar tranen er vreemd vervormd uitziet. Ze denkt niets maar hoort dat binnenin haar iets losscheurt, iets ontvelt, ontvacht wordt. Ze voelt niets en alle tijd en ruimte is verdwenen. Dan tekent zich een dun lijntje in haar bewustzijn af, ze volgt het tot de plek waar de woorden en de klanken in elkaar gezet worden. Haar mondhoeken trillen, er moet iets gezegd worden maar ze weet niet wat het is dat probeert gezegd te worden. Dan fluistert ze: “Theo, ik kan dit niet, ik kan dit niet.”

Als Theo de versnelling in zijn achteruit schakelt, rochelt en ratelt het ding een ogenblik. Hij rijdt een paar meter achteruit om tussen de geparkeerde auto’s weg te komen en ziet, vreemd genoeg, dat Paula’s schaduw op de motorkap zich uitrekt en hem moeiteloos volgt. Even is hij verbijsterd en denkt dan: zo zal het dus gaan, telkens weer, hier is alles mee gezegd. Hij stopt de auto en zet de motor uit. Paula staat nog bewegingsloos op dezelfde plek in de koplampen. Een volle minuut gebeurd er niets, hun universum staat stil, ze kijken elkaar als flatliners aan.

Dan opent zich iets in hem en het komt naar buiten met een vast besluit waartegen elk verzet nutteloos is. Hij opent de deur en loopt op haar toe, haar handen trillen. Als hij voor haar staat buigt hij zijn hoofd en pakt haar kouwe handen. Zijn stem is onvindbaar zodat hij moet fluisteren: ” Paula, ik kan dit niet, ik kan dit niet. Jouw schaduw zal altijd met me meelopen en ik zal blijven bloeden, ik kan dit niet.”

Ze zwijgt, woorden zijn buiten elk bereik, en ze buigt haar hoofd tegen zijn borst en drukt een vuist tegen zijn schouder. Langzaam omhelst ze hem, en weet dat dit het eerste en enige is waar ze in wil blijven, het enige wat ze zal blijven wensen, meer niet, telkens weer, dag in dag uit. Theo is een chaos, niets staat meer op zijn plek, elke volgorde is weg en hij zoekt wanhopig naar aanknopingspunten voor…ja, voor wat?.., maar vindt ze niet, behalve de geur van Paula’s haar, een mengeling van zoet, zout en lelie.

Ergens in de buurt gaat een deur of raam open waardoor op een paar vochtige windvlagen mee, als een soort vooruitgestuurd bericht, een song van Nina Simone te horen is: I got my hair, got my head, got my brains , got my ears, got my eyes, got my nose,………

Facebooktwitterlinkedinmail