Pages Navigation Menu

Terrasjes filosofie

“Hij kan nog een vis voor je in de woestijn vinden, hij is so smart, hij is ge-wel-dig!!” Een langbenige opgedirkte jonge vrouw, ongetwijfeld een studente, zit kennelijk op te scheppen over haar nieuwe vriendje.

“Nou, die van mij kan nog geen sleutel in een sleutelgat vinden, maar verder wel er-rug  lief hoor, pfffff….” Een propperig klein medestudentje met een knap gezichtje blaast met vibrerende lippen ironische lucht naar buiten.

Ik kan het niet helpen de conversatie van de twee studentes op het zonnige terrasje aan te moeten horen. Of eigenlijk wel, ik lieg, het interesseert me eigenlijk wel, waar hebben jonge mensen het eigenlijk over? Het is een van mijn slechte eigenschappen, afluisteren.

“Heb je hem allang?”, zegt het propje. “Een paar warme maandjes, heb ‘m overgehouden aan een paar kouwe weekjes skivakantie”, antwoordt de langbenige.

“Advanced seks zeker?”, lurkt het propje. “Nogal”, snoeft de langbenige, “en je weet, alle lust wil eeuwigheid hè.”

Da’s een Nietzscheaanse uitspraak herken ik.  Moet een filosofiestudente zijn.

“En die van jou, is ie al ontrouw?”, plaagt de langbenige filosofe. “Ja, ik ben bang van wel , maar ja, je weet,  ontrouw is vaak “Noodweer Exces”, artikel 41, lid één, weet je wel. Maar ik kan niet zonder hem.”

Bingo, moet een rechtenstudente zijn. Ze kijkt treurig bij al die wetskennis.

“Ik kan je in dat geval maar één ding aanraden: “Ars Moriendi”, probeert de filosofe leuk te troosten. Het propje verstaat haar Latijn direct. “De kunst van het sterven, ja, krijg ik bij hem nooit onder de knie, never. Ik heb hem gesmeekt, ik zeg, als je bij me weggaat mag ik dan met je mee?” De beide gymnasiasten lachen brutaal hard over het terras. Leuke meiden hoor.

“Maar nog even”, komt de filosofe terug, “om met Wittgenstein te spreken, ja hoor es, ik moet toch ergens mijn studie kwijt. Nog even: van jouw niet duidelijke onzin overgaan naar duidelijke onzin: ga je zo door met hem of niet?”

“Kweenie”, zegt het propje aarzelend,  “het blijft onduidelijke onzin met mij.  Het uitmaken? Sommige dingen zijn erger dan doodgaan. Zei Wittgensteins broer dat niet?”, voegt ze er ineens vrolijk aan toe. “Nou, drie van zijn broers hebben zich gesuïcideerd, pas maar op”, antwoordt langbeen.

“Niet erg hoor, telkens als ik doodga schijn ik weer terug te moeten komen, ‘k weet ook niet hoe dat zit”, antwoordt het propje snedig. Ze vallen beide even stil, alsof ze bij het onderwerp weg willen.

“Wanneer studeer je eigenlijk af?” vraagt langbeen. “Dat wordt wel mei volgend jaar. Al mijn studiegenootjes zijn al klaar of gestopt, het is vrij eenzaam en alleen en zo.”

“Nou, als je omsingeld wordt door afwezigen kom je maar bij mij eten.” Ze is ongetwijfeld een Nietzsche kenner met die opmerking over omsingelende afwezigen.

“En jij”, vraagt het propje, “volgens mij ben jij ook een filosofische lanterfanter.” “Klopt, het kan mij niet lang genoeg duren. Filosofie is troost en ik ben soms erg verdrietig. Weet je, filosofie studeren is een elegante vorm van wanhoopbestrijding. Ik schuif de wereld nog wat voor me uit”, zegt langbeen met enige treurigheid in haar stem. “Want het ergste moet nog komen. Schopenhauer, als je het al wilt weten.”

“Je bent een lieverd, lieverd”, zegt het propje ineens. Ze staat op en ze kust langbeen op het voorhoofd.

“Ik moet snel weg, blijf zitten, ik betaal wel even.” Als ze in het café betaald heeft en op de fiets stapt roept ze langbeen nog na: “En denk erom hè, blijf op het pad !”

Ik ben blij dat ik die slechte eigenschap van dat afluisteren nog heb.

facebooktwitterlinkedinmail