Pages Navigation Menu

De wereld is wat ieder van ons ervaart

We kijken met z’n allen weliswaar naar hetzelfde maar in diepste zin zien we ieder voor onszelf.  We associëren het met onze eigen belevenissen en maken het zo de aller- individueelste ervaring. Wat voor de één een mooie vaas is die als een verfijnd kunstwerk mooi in de kamer op het kastje  thuis zou staan, is voor de ander vanwege het blauw een vreselijke herinnering aan de kleur van de auto waarmee je ooit aangereden werd. Soms zijn we ons ervan bewust maar vaak helemaal niet. We hebben dan een bepaald gevoel bij iets maar kunnen het niet traceren in ons geheugen.

Het individuele beleven in de voor- en onbewuste zin kwam op de voorgrond rond de eeuwwisseling in 1900, met de nieuwe inzichten van Freud. Het zette onbedoeld op kunstgebied een revolutie in gang,  waarvan de producten nog steeds ruim in de belangstelling staan, en waarbij in de literatuur misschien wel de meest vergaande limiet werd verkend. Het gaat dan om een type roman waarbij geleidelijk toenemende aandacht ontstond voor de strikt individuele geest van een enkel personage, zoals bijvoorbeeld in: Henry James: The Portrait of a Lady (1881).

Hoe weer te geven wat ons innerlijk het meest roert? Immers alles wat we om ons heen meemaken vertalen we in ons hoofd en dat bepaalt hoe we die realiteit ervaren. Stream-of-consciousness werd de stijl genoemd, en zoals  James Joyce, de beroemde beoefenaar ervan het samenvatte, is het zoiets als het tegelijkertijd weergeven wat iemand zegt, ziet, denkt en wat deze zintuiglijke en mentale waarnemingen doen met wat Freudianen “ het onbewuste” noemen.

Zo laat hij  in “ Ulysses” (1922) zijn hoofdpersoon Mr Bloom door de straten van Dublin lopen en een boekhandel passeren waarin hij de titel van een boek leest: “ Why I left the church of Rome.” Hij loopt een eindje door en ineens stelt hij zichzelf de vraag: “ Why we left the church of Rome?” Als lezer kun je dit nog wel volgen maar verderop zegt hij middenin een beschouwing: “Penrose! That was that chap’s name.”  En dan moet je je maar zien te herinneren dat hij een eind terug een man in een vrachtwagen zag die hem bekend voorkwam.

We wandelen niet met hem mee zoals de karakters in de romans van Dickens, maar we kijken procesmatig mee in zijn hoofd en dat is een stuk ingewikkelder. Ons denken en waarnemen is niet gestructureerd en weerspiegelt een werkelijkheid zoals wij die als individu ervaren: een labyrint waarin alles door elkaar heen loopt. Wat is er mooier dan die intieme bewuste en onbewuste gedachtestromen mee te beleven ? Zo de werkelijkheid van het personage van binnenuit te ervaren?

Het ultieme komt aan het eind: …. “I suppose they’re just getting up in China now combing out their pigtails for the day well soon have the nuns ringing the angelus they ‘ve nobody coming in to spoil their sleep except an odd priest or two for his night office…. “ Hier spreekt Blooms vrouw Molly die dan na afloop van deze eindeloos voortdurende woordenstroom door Joyce afgestopt wordt met een herinnering aan een beminde: “ yes I said yes I will Yes.” Een happy end aan het einde van het ruim 700 pagina’s tellende boek dat slechts één dag beslaat.

De prijs van een dergelijke ongeordende, rauwe, onopgesmukte innerlijke weergave is echter dat die onleesbaar wordt en daarmee zijn doel voorbij schiet.  De stijl in zijn meest pure vorm is daarom losgelaten, maar elementen ervan maken nog steeds een vaak voorkomend sterk onderdeel uit van de hedendaagse roman.

Spannend blijft het om de grenzen op te zoeken van een getrouwe weergave van wat wij als de werkelijkheid beleven. Een vorm van identificatie met het beeld dat de auteur schept is toch de kern van het leesplezier.

Wittgenstein zegt over de grenzen van de taal: “ waarover men niet spreken kan moet men zwijgen”. Ik zal hem niet tegenspreken, maar: misschien kunnen we het wel duiden, op kunstzinnige wijze.

facebooktwitterlinkedinmail