Pages Navigation Menu

Sluimerliefde

Er bestaat een bijzondere vorm van liefde tussen mensen die volstrekt onvoorwaardelijk is, onbelemmerd diep en een leven lang duurt. Het is niet de romantische liefde met zijn hartstochtelijke verliefdheid die uitdooft tot een bestendig houden van. Het is niet de onlosmakelijke liefde tussen ouders en kinderen of tussen broers en zusters. En het is ook niet de liefde die ontstaat wanneer twee ikken een onophoudelijk verlangen hebben om te versmelten tot één. Maar het is juist de liefde die twee ikken doet ontstaan, de ikken die zich voor het allereerst in hun leven van zichzelf bewust worden, de liefde die het ontluikende ik van het ene kind voelt voor een ander kind.

Dat gebeurde op 2 augustus, 1949 in Corey, Wales, op een slaperige zomermiddag, boven op een heuvel die uitzicht bood op de twee schapenfarms, de grote farm van Tom’s vader en de kleinere van Emmy’s vader. Ze waren beide zes jaar, enig kind en vanaf hun geboorte onafscheidelijke vrienden. Er ging geen ochtend voorbij of ze verheugden zich op elkaars gezelschap, geen avond zonder een diepe tevredenheid over hun samenzijn. Op die lome middag in augustus zaten ze in het hoge wuivende gras op de top van de groene heuvel tegenover elkaar toen Tom met een onstuitbare en voor hemzelf onbegrijpelijke aandrang plotseling Emmy’s beide kleine handen oppakte, haar recht aankeek en met een intense blik zei: “Ik ben ik”, hier aarzelde hij even en vervolgde: “En jij bent jij”.

Emmy begreep intuïtief onmiddellijk het bijzondere van zijn woorden, de heiligheid van het moment waarop ze werden uitgesproken en Tom’s ontdekking van zijn eigenheid omdat zij die nu ook bij zichzelf voelde. Zonder aarzeling antwoordde ze ernstig: “En wij zijn wij”, alsof ze de zojuist ontstane twee-eenheid weer aan elkaar wilde smeden. Dit was veel meer dan een diepe genegenheid, het was onuitwisbare liefde wat beiden voelden, ook al hadden ze er geen woorden voor.

Enige tijd later verhuisde Tom naar Ierland waar zijn vader een nog grotere schapenfarm van zijn overleden broer had geërfd. Tom was wekenlang ziek van heimwee en van een onpeilbaar verdriet over het verlies van Emmy. Maar het gevoel van liefde, het zich verheugen op vertrouwd gezelschap, en het zich daardoor beschermd en vanzelfsprekend begrepen voelen, omringde hem als een onaantastbaar schild dat hij de rest van zijn leven nooit meer zou verliezen. Emmy werd niet ziek maar sprak wekenlang niet meer. Niet met haar ouders, niet met haar schoolgenootjes. Ze heeft nooit meer gehuild behalve één keer, ontroostbaar, toen haar Bordercolly stierf.

Hun beider ouders dachten er goed aan te doen het smartelijk verlies van elkaar niet te verergeren door hen in contact met elkaar te laten, het zou vanzelf in de mist van de tijd wel oplossen. Toen ze twaalf jaar waren en Tom’s ouders dachten dat een bezoek aan hun oude buren in Wales geen kwaad meer kon, zagen ze elkaar weer. Ze spraken onmiddellijk honderd uit en wandelden die dag hand in hand langs al hun zo vertrouwde plekken in de groene heuvels. Ze omhelsden elkaar in hun blijheid als de ouders er niet bij waren maar dat voelde juist weer vreemd aan. Het waren nieuwe, andere lijven en de vanzelfsprekendheid van hun omhelzing was onwennigheid, bijna ongepast geworden. De rustige vertrouwdheid met elkaar was echter nog altijd dezelfde. Geheimen werden uitgewisseld en over heimelijke vluchtplannen van hen beide werd gedetailleerd gesproken.

Maar het kwam er niet van. De wereld is voor een puber nu eenmaal ingewikkeld en het beloop van hun verdere jeugd bleek grilliger te verlopen dan ze hadden gewenst. Ze vergaten elkaar niet want hun liefde was een diep sluimerende, in de vorm van een altijd onbestemd aanwezig thuisgevoel en vaak overviel hen een vage, zagende hunkering waarvan ze de oorsprong niet herkenden of wilden erkennen.

Ze zagen elkaar opnieuw in hun 34e jaar, bij een blind toeval op het zonnige vakantiestrand in Brighton. Wat sluimerde kwam onmiddellijk tot leven, maar moest worden ingehouden en verborgen want beide waren getrouwd en hadden jonge kinderen. Toch ontmoeten ze elkaar die vakantieweek, heimelijk, het was onvermijdelijk. Er vloeiden tranen van opperste blijdschap en opperste hopeloosheid en ditmaal was er ook een sterk fysiek verlangen naar elkaar. Maar Tom nam haar niet hoewel ze het zonder schroom gewild had. En Emmy verleidde hem niet, wetende dat hij geen enkele weerstand zou kunnen bieden. Er was een pijnlijk afscheid. Ze zat schrijlings op zijn schoot, zijn hoofd tegen haar borst gedrukt, zo hielden ze elkaar een half uur omhelsd, woordeloos, in tranen, zonder beloftes, zonder hoop.

En nu, bijna 70 jaar later na Tom en Emmy’s opmerkelijke woorden op de top van heuvel in Corey, Wales, loopt Tom moeizaam en hijgend de trap op naar het bejaarden appartement van Emmy die sinds een half jaar weduwe is. Hij vertelt aan de begeleidende bejaardenverzorgster dat hij sinds kort zelf ook weduwnaar is en dat Emmy bij toeval de rouwadvertentie onder ogen kreeg waarop ze hem uitnodigde om langs te komen. De bejaardenverzorgster opent de deur en brengt hem bij Emmy die in een grote leren stoel nu erg klein en tenger lijkt. Ze huilt van blijdschap en zegt met zacht breekbare stem: “Ik ben ik en jij bent jij”, waarop Tom niet aarzelt om te zeggen: “En wij zijn wij”.

 

 

facebooktwitterlinkedinmail