Pages Navigation Menu

Existentiele gesprekjes

“Ik ga wat te eten halen bij de afrukchinees ” zei Ulbe grappend. “Je zal bedoelen bij de aflukchinees” grijnsde Murk alert. “Wil je ook wat, je kan bij me eten” stelde Ulbe ruimhartig voor. ” Nouhou, nouhou……., lekkel, een bambi ping pang graag, kan dat eraf of zo?”

Ulbe komt uit het Friese gehucht Abbegaasterketting, een klein grasgroen hefbrugje met een paar schilderachtige arbeidershuisjes eromheen, meer is het niet en wordt het ook niet. Zijn drinkmaatje Murk komt uit Greonterp, een ander Fries gehucht aan een doodlopende weg waar ooit de volksschrijver G.K van het Reve woonde die zich regelmatig bijkans dooddronk in het stamlokaal van het nabije dorp Blauhûs. Maar dit ter zijde, terwijl het toch ook weer niet een onzinnig zijdelings detail is want Ulbe en Murk zijn ook homo en drinken zich ook regelmatig comateus vanwege het schone lijden aan hun kunstenaarschap.

Wat dat kunstenaarschap betreft: Ulbe “last dingen in elkaar.” Hij stalt zijn kûnsten te koop uit in “mijn ecotuin ” oftewel de totaal met onkruid verwilderde voortuin van zijn afgebladderd krottig arbeidershuisje dat vrijwel geheel overwoekerd is met geelgroene klimop. Murk maakt “experimentele muziek op de accordeon en de dwarsfluit” waarmee hij op “exclusieve kunstfeestjes “optreedt.

U begrijpt het al: het zijn twee alcoholistische uitvreters. Het zijn daarnaast ook nog chronische uitslapers, koffieleuten, pornorukkers, fastfoodgrazers, bedvervuilers, sigarettenpeuklurkers, ochtend-,middag- en avonddutters, niet-afwassers, niet-stofzuigers, niet-toiletschoonmakers, en beide hebben een pluizig staartje in de nek.

Als ze “een hele Sinees opgegeten hebben” en beide een tweede fles rode wijn in no time hebben weggetikt blijkt ook nog dat ze filosofen zijn. Ulbe poneert: ” het leven heeft misschien geen zin maar wel nut. Of was het nou omgekeerd Murk jongen?” . Murk laat zijn brandende filtersigaret die tussen zijn natte vlezige lippen op en neer wipt op de grond vallen.” Verrek, het stikt hier ook van de zwaartekracht, sorry van je tapijt Ulbe. Wat vroeg je ook weer? Oh ja, ……uhhh, of alles wel zin had? Nou ik denk het niet eigenlijk. En uhhh, wat..is ..zin ..eigenlijk? ”

En zo zeverde de lege conversatie over niets nog een tijd en nog een derde fles door, totdat beide vrienden elke samenhang binnen zichzelf en met de ander hadden verloren. Ze gleden vrijwel tegelijk in een roesslaap,  weggezakt in hun kringloopfauteuils van versleten koeienleer met brandgaten .

Als Ulbe ‘s nachts om kwart over vier wakker wordt met een borende hoofdpijn en een op knappen staande blaas is de eerste gedachte die ongewild in hem opspringt : ” het hele leven is een poging om ons eronder te krijgen.”  Murk wordt wakker van Ulbe’s luidruchtige toiletgang en eigenaardig genoeg houdt ook hem het thema leven en dood direct bezig, alsof dat het laatste station van hun dronkenmansconversatie was waarbij ze elkaar nog enigszins konden volgen.

Murk schrikt van zijn eigen sombere inval:  ” het leven is niets anders dan je tegen de dood verzetten.  Verrek, zei Jopie Huisman dat niet?”. Ze kijken elkaar zwijgend, ernstig en lang aan, eigenlijk veel te lang en te indringend om je nog comfortabel bij te voelen. Dan is er dat zeldzame existentiële moment in iemands leven waarop men intuïtief de volle waarheid over zijn bestaan inziet en accepteert als volkomen vanzelfsprekend en volstrekt juist. Het uitzonderlijke gebeurde ook nog dat het heldere existentieel inzicht hen beide tegelijkertijd aangereikt werd, komend uit een duister of misschien eerder een verlicht domein waar vele filosofen zich het hoofd over gebroken hebben. Het is het type Waarheid dat met de kracht van een tsunami het Ik binnendringt waardoor elke poging tot wegdrukken of liegen zinloos wordt.

” We weten beide wat we zijn hè, Marginalen en Onrendabelen”, fluistert Ulbe Murk zuchtend toe. Er valt weer een lange pijnlijke stilte die de Waarheid binnenin en tussen hen steeds verder opvult. “Ja, antwoordt Murk met een stil en betraand gezicht: We behoren tot de Vielzuvielen, het Genetisch afval, de Schimmel op de aardkorst. Ik ben te lui en te laf om hier over te liegen. Wat doe ik nou om wat Geluk te krijgen, hè? Niks en Niets!  Ik heb toch met niemand wat, nobody. Ik zoek geen enkele uitdaging in werk, is het wel werk trouwens? Ik behoor tot geen enkel groepje in dit kutdorp, ik ben een sociaal nulhoofd. En mijn lijf? Getver, ik ben een rokende, zuipende vetklep. En nog eens wat: ik ben nergens de baas over in mijn leven, ik laat het allemaal maar gebeuren met mijn laffe gedoe. En heb ik een ideaal? Een ambitie ? Zero!! Wat nou een beetje Geluk zoeken”

” Tsja,  we hebben alles vergooid, we zijn één grote nederlaag”, reageert Ulbe met een lange zucht. Ook hij voelt de behoefte, de noodzaak als door de vinger God’s gedreven, om zijn ellendigste bekentenis ongecensureerd af te geven:  “We leven er maar op los, zonder enige zin, zonder enige betekenis, richting, we …doen …maar …wat. Wij doen al lang niet meer mee. En we doen er ook niet meer toe, we zijn allang dood zonder dat we het gemerkt hebben”. Hij steekt een zwaar shagje op en krijgt onmiddellijk een akelige hoestbui die hem tijdig redt van een dramatische huilbui. Murk voelt dat goed aan en probeert nog enige ironische lichtheid in de pikzwarte sfeer te brengen door een dichtregel van GK van het Reve te citeren die de ernst van hun toestand treffend samenvat: “..het graf gaapt, de tijd zoemt en nergens is redding”.

Als de bleke zon opkomt fietst Murk door de vroege ochtenddauw naar huis, zijn vriend achterlatend in alle somberte van zijn bestaan. Toch volgen er nog meer “existentiele gesprekken” nu eenmaal de dam gebroken is om zichzelf en elkaar zuiver onder ogen te zien. En altijd in een serieuze en alcoholvrije toestand over een periode van meer dan een half jaar, telkens weer taai zoekend naar een uitweg, in het geloof dat als alles verkeerd gaat er nog veel goed kan gaan.

“Wat kunnen we nog winnen nu alles verloren is? Gezondheid? Zal ik es gaan trimmen met dat dikke lijf? Moet ik niet es in psychotherapie?” Ulbe is vooral de man van het vragen stellen, Murk de man van de bemoediging en de remedie.

” Iedereen heeft wel iets goeds wat hem aandrijft”  probeert Murk weer. En Ulbe die flauwtjes antwoord: “wat mij aandrijft is niet veel meer dan neuken en een koud biertje ben ik bang”. Maar langzamerhand wordt het ook steeds duidelijker: Murk gaat uphill, Ulbe downhill. De één put uit een bijna dodelijke zelfconfrontatie de moed der wanhoop,  de ander verdwijnt in het Niet waar alle dingen in verdwijnen.

Het werd uiteindelijk een harde kwestie van ofwel een bekering tot het Goede ofwel een verbanning naar de Woestijn. Murk neemt boven elke verwachting van zichzelf een baantje als parttime pakketbezorger bij TNT. Hij valt 30 kg af, en krijgt een al wat oudere nette vriend die hij zelfs volgt naar Zeeuws Vlaanderen waar hij nog steeds een Perifeer is maar geen Marginale Perifeer.

Iedereen vermoedt wel hoe het is afgelopen met Ulbe maar zelfs Murk durft dat na twee jaar niet uit te zoeken.  Niet alle moedigen zijn ook dapper zegt men weleens. Wel vraagt hij zich vaak af waar in de gesprekken met Ulbe het draaipunt naar zijn neergang zat. Misschien was het wel die keer dat Ulbe zei: “mensen moeten niet zoveel praten, en al helemaal niet met elkaar.”

facebooktwitterlinkedinmail