Pages Navigation Menu

Waarom bezit ieder mens waardigheid?

 

Een mens, iemand geboren uit 2 andere mensen, bezit menselijke waardigheid, aldus de Franse filosoof Comte Sponville. Ieder mens bezit menselijke waarde welke eerbied verdient of nog stelliger gezegd: vereist.

Wat maakt de mens zo bijzonder, dat ieder van ons waardigheid bezit, eerbied vereist? Wetenschappelijk gezien zijn we slechts een van de hogere diersoorten. Mensachtigen (hominiden), waar er zeker 20 soorten van zijn geweest, hebben in de prehistorie, zo’n 200.000 jaar geleden, uiteindelijk geleid tot de evolutionaire vorm homo sapiens. Een mensensoort begiftigd met een groot brein, in staat werktuigen te maken en het vermogen tot taal welke bepalend is voor zijn uitgebreide vorm van bewustzijn. Verdient ieder van ons echter automatisch een bijzondere status qua waarde omdat homo sapiens evolutionair succesvol is en de wereld grotendeels kan beheersen? Het antwoord is nee. Ieder van ons, zo stelt onder meer de Engelse filosoof Roger Scruton,  verdient geen principiële eerbied om wat we kunnen, maar eerbied voor onze fundamentele gelijkheid als mensen, ieder worstelend met de eigen toekomst, allen worstelend met onze gezamenlijke toekomst.

Zelfs biologisch is die gelijkheid tussen mensen bepaald: via antropologisch onderzoek kunnen we concluderen dat 99% van de huidige meer dan 6 miljard tellende wereldbevolking letterlijk één oermoeder kent welke haar afstammelingen haar mitochondriaal DNA heeft doorgegeven. We stammen allen dus echt af van Eva. Niets onderscheid ons biologisch echt van een willekeurige andere mens. Wat is het meest waardevolle voor ieder mens? Dat is het behoud van zijn eigen leven, dat is onze biologische aard, onze levensdrang. Voor het behoud van zijn leven zal een mens in het algemeen alles doen wat menselijkerwijs mogelijk is. Dit geldt niet alleen het leven in biologische zin, maar ook  het leven in sociale zin, de erkenning door anderen van zijn gelijkwaardigheid als mens.

Door zijn uitgebreide bewustzijn beseft de mens zich altijd, meestal onbewust, geheel alleen te staan. Een diepgaand besef geheel alleen te staan in de kosmos, te kunnen worden overweldigd door de immense krachten van de natuurlijke wereld en machteloos te zijn zonder anderen in de sociale wereld. Uiteindelijk alleen te zullen sterven… De Engelse filosoof en wiskundige Bertrand Russel omschreef dit besef als de metafysische eenzaamheid van de mens. Het kernmotief uit het menselijke onderbewuste dat de mens doet zoeken naar relaties met anderen en sociale macht, naar kennis en beheersing van de natuur, en vooral naar hogere betekenissen, kernmotieven voor religieuze en maatschappelijke overtuigingen.

De mens moet daarnaast, in tegenstelling tot andere dieren, zijn eigen toekomst vorm geven, want hij is zich bewust van zijn toekomst. Hij leeft ‘in’ de tijd, heeft ‘zorgen’, heeft geen andere keuze dan te ‘zijn’. Hoe alleen hij ook staat, hij kan niet anders leven dan samen met andere mensen, anders overleeft hij niet. Hij kan niet anders dan met anderen zijn toekomst vorm geven. Hij kan echter ook niet anders handelen dan op basis van zijn eigen gevoelens, percepties en inzichten. In zijn handelen speelt altijd de emotie angst voor de dood, angst voor geweld, angst voor armoede  en angst voor sociale uitsluiting een centrale rol. Die angsten gelden niet alleen hemzelf of haarzelf, die gelden tevens voor hen die hem het meeste na staan, die hij/zij lief heeft. Zijn gezin, zijn ouders, zijn familie, zijn vrienden.

Ieder mens vereist, verlangt, heeft diepgaand behoefte aan het respect van anderen om überhaupt  te kunnen functioneren als mens. Dat hebt u nodig, dat heb ik nodig. Omdat we als mensen gelijk zijn in ons onvermogen om zonder elkaar te kunnen leven. Zonder respect van anderen te ervaren, zonder eigen waardigheid als mens gelijk aan andere mensen te bezitten, kunnen we eenvoudigweg niet leven. Er is dus geen vreedzame samenleving mogelijk die niet gebaseerd is op menselijke waardigheid, op fundamenteel respect voor iedere mens. De Romeinse filosoof Seneca omschreef dit eerste gebod als volgt: “de Mens dient de Mens heilig te zijn”. De grote filosoof  Kant stelde dat: ” de Mens nooit middel mag zijn, maar altijd een doel op zich is”.

In onze westerse samenleving vertalen we  dit heden te dage in het volgende basis concept van menselijke moraliteit, welke vooraf gaat aan andere sociale regels, welke mensen hanteren om samen te leven en samen te werken: “Gij zult een mens niet schenden, fysiek noch psychisch”.

De Duitse grondwet van 1949 zegt in het allereerste artikel dat wat boven iedere wetenschap of waarheid, en boven iedere overtuiging verheven dient te zijn: de menselijke waardigheid is onaantastbaar. Juist de Duitsers kwamen tot dit besef na de holocaust die ze te weeg brachten.

 

 

facebooktwitterlinkedinmail