Pages Navigation Menu

Nooit meer afscheid

Het is poëzie festival -Love in Belfast 2013- en Peter H. klimt het donkere podium op. Hij is klein en tenger van stuk, in de zestig, ietwat kalend, met fletsblauwe ogen in een bleek gelaat.  Als hij in de krijtwitte schijnwerpers staat en de microfoon pakt maakt hij een vermoeide indruk maar zijn helder doorrookte basstem klinkt als een klok.

“Dames en Heren. U weet: de liefde komt soms vroeg, soms laat. Soms komt ze stormachtig, soms kruipt ze langzaam under your skin. Maar altijd is ze meer dan welkom. En altijd wordt ze gevreesd als ze weer dreigt te gaan. Dit gedicht heet:

 

Bede

fluister iets liefs, toe snel

want mijn tranen wellen,

zo moe ben ik

en zo ontdaan

van alles wat gemis is en verloren,

van toen en wat gaat komen,

fluister snel iets liefs

voordat breekt wat nu nog staat,

wees bij me lief,

voordat ik ga naar kerkers aan kettingen van roest,

van roest, toe, fluister snel iets liefs.

 

Peters exotische en knap ogende vrouw Melanie zit in de zaal. Ze is stil ontroerd. Ze kent de meeste van zijn gedichten niet, ze hoort dit voor de eerste keer en weet dat het op haar slaat want de herinnering aan zijn fluisterbede  is nog vers. Hij was in volslagen paniek na het dodelijke bericht dat hij longkanker heeft. Ook kon hij maar niet ontsnappen aan het rare dwangmatige en omgekeerde idee dat ook zij sluipend ziek zou kunnen zijn, dat hij haar nog voor zijn dood zou verliezen en dat hij dan in de kerkers van zijn depressie zou creperen.

Peter licht zijn tweede gedicht toe. “Dames en heren. Vaak komt de liefde als een warm bad, maar soms is haar aanraking als zonder huid.”

 

Huid

Het huilt alsmaar hierbinnen,

een leven lang, het trekt het duwt,

en stopt alleen als jij daarbuiten

zachte woorden zacht naar binnen duwt,

één graad, één millimeter minder van jouw woorden

en  ik word weerloos ziek, het vlies zal breken.

Waarom geef je mij een leven,

zonder huid?

 

Melanie heeft hem destijds gerust willen stellen dat ze niet eerder dan hem dood zal gaan. Geruststellen door hem het geheim van haar onsterfelijkheid te vertellen. Ze is in Brazilië geboren, als vondeling naar Nederland gekomen, zo heeft ze hem destijds vertelt. En daarom weet niemand  precies hoe oud ze is, ook al staat dat in haar paspoort. Hij kan het natuurlijk niet geloven maar telkens als zijn doodspaniek uitbreekt weet hij ineens zeker dat ze honderden jaren oud moet zijn en dat de volstrekt gladde jonge huid en het  glanzende gitzwarte haar, ondanks haar zogenaamde zestig jaren, hier ook het onbetwiste bewijs voor is. Ze is soms onsterfelijk, het lijdt geen enkele twijfel.

Alhoewel Peter met niemand behalve Melanie over zijn aankomende dood heeft gesproken vermoedt ze wel dat hij iets daarvan in zijn poëzie zal laten doorklinken.

Peter schraapt zijn keel, drinkt langzaam een slok water en lijkt zichzelf bijeen te moeten rapen voor een volgend gedicht waarmee hij zonder toelichting begint:

 

Gedoofd

Er is iets in mij gedoofd,

wat licht was en wat leefde,

nu is er holte, doofheid, donker

en ik  weet niet wat er mist,

en op de tast vooruit is alles leegte,

kom pak mijn hand , mijn lief

en breng me naar buiten,

waar de woorden zijn.

 

Het was oorspronkelijk een lang en schrijnend gedicht, uit een open zenuw geschreven, maar bij de laatst uitgesproken regel breekt Peter en stopt hij het voorlezen. Niemand in de zaal merkt het op, behalve Melanie die dit gedicht goed kent en wist waar de woorden buiten te vinden waren.

Snel probeert hij zich te vermannen met een geforceerd kuchje en een slok water en gaat hij over naar zijn laatste gedicht, hij zit al aan de tijd.

“Dames en Heren. Mijn vrouw, mijn Melanie, ik weet het nu zeker: zij is onsterfelijk. Ik niet.”

 

Melanie

Mijn zon, mijn maan, al mijn bestaan,

ssssttt, geen minnewoorden meer,

alleen d’omhelzing, huid op huid,

gloed op gloed, oog in oog,

en leg het raadsel mij niet uit, mijn M,

wat de kracht is van dit span paarden,

de pracht van beider Himalaya’s in de zon,

van mijn beide handen om je hoofd,

jouw hoofd tegen mijn borst,

mijn borst die eens stopt met ademen.

Ik verklaar je nu onsterfelijk en beveel:

stop hier nooit meer mee!

 

Twee maanden later staat ze betraand aan zijn graf. Het is snel gegaan en vrijwel pijnloos, zonder de teisterende ademstrijd die beiden hadden verwacht. Ze buigt zich langzaam voorover naar de glad gepolijste zwart granieten steen, raakt de letters van zijn naam stuk voor stuk even aan en fluistert : “ik weet waar je bent, ik ben er vaak geweest, maar ik kom bij je, daar, thuis “.

Ze buigt nog verder voorover en uit haar rechter handpalm stromen kleine wasachtige letters die als dikke druppels liefde langs haar vingers op de zwarte modder voor het graf vallen. Dan gaat ze rechtop staan, kijkt en wacht tot de letters zichzelf als een trouwe erewacht in het gelid hebben gezet. Ze knikt tevreden, en leest dan fluisterend:

 

Thuiskomen

Zal ik je zolang zachtjes komen strelen

en zo vaak het Allerliefste zeggen,

je zoveel kussen en omhelzen

tot je boordevol bent, overloopt,

overloopt,

en eindelijk thuis,

daar?

facebooktwitterlinkedinmail