Pages Navigation Menu

Walhalla (deel 1)

Nu ik dood ben is het een stuk rustiger. Je hebt het niet direct door als je dood bent. Het is een langzaam besef zoals je dat ook ervaart als je wakker wordt: eerst een twighlight zone waarin waken en slapen het nog met elkaar oneens zijn. Daarna wordt het half transparante gordijn traag maar gestaag, met kleine rukjes verder opengetrokken, totdat alles stukje bij beetje weer op zijn plek valt: waar je bent, wie je bent, hoe je bent, wanneer je bent.

Maar niet waarom je er bent, dat wordt je pas veel later duidelijk. Ik weet niet waarom ze dat hier zo doen. Ik weet niet eens of er een Ze is maar zo voelt het alleen, ik kan het niet duidelijker uitleggen. Als je om je heen kijkt is er niks, helemaal niks, een kleurloze onstoffelijke ruimte zonder enig geluid, dwz er is wel een aanwezigheid voelbaar maar er zit niemand aan vast. Zoals je wel zeker weet dat je vrouw naast je in bed ligt maar je hoort, ziet, ruikt en voelt haar niet, ook niet als je je hand uitsteekt. Toch ervaar je die lege aanwezigheid niet als vreemd of verontrustend, terwijl  dat eigenlijk wel zou moeten natuurlijk. In die zin is het wel raar en met niets aards te vergelijken.

Het is hier ook alsof je jezelf niet hoeft te leven, hoe zal ik het zeggen, alles gaat vanzelf, zonder enige wilsinspanning en niets heeft een dwingende noodzaak of tijdsdruk zoals in het aardse leven. Toch is het niet zo dat er een tijdloosheid is of dat je een eeuwigheidsgevoel hebt of zoiets.  Er is wel degelijk een soort dag en nacht en ook wel een soort slapen en waken, een zeker bioritme zou je kunnen zeggen, maar de duur en de frequentie ervan ontgaan me totaal.

Na enige tijd ( het lijkt wel alsof je eerst een poosje  in een abstract, cocon-achtig voorportaal moet zijn)  komen er andere mensen als uit een vriendelijke waas tevoorschijn, allemaal van min of meer eenzelfde leeftijd, zo tussen de twintig en vijfentwintig jaar zou ik gokken. En zonder te weten waarom ik het denk zien ze er uit alsof ze in hun beste, mooiste en krachtigste gedaante zijn gezet. Zwart, blank, geel, rood, alles door elkaar. Ze bemoeien zich aanvankelijk volstrekt niet met je, ze gaan hun gang en daar is niks onvriendelijks of onverschilligs aan.

U zal zeggen dat ik de hemel op een of andere manier aan het beschrijven ben maar dat gevoel heb ik totaal niet. Er is helemaal geen sprake van een gevoel van opperste gelukzaligheid, of idyllische landschappen met zingende melkmeisjes bij de bron, of het blije terugzien van geliefden, of een gevoel van eindelijk thuiskomen. Niets daarvan. En van de aanwezigheid van een God of zoiets is al helemaal geen sprake. Het zou natuurlijk kunnen dat de goden anoniem wensen te blijven. Daar is ook veel voor te zeggen want hun openbaring hier zou misschien alleen maar gedonder geven en daar hebben ze natuurlijk geen zin in. Op Aarde geeft dat al genoeg ellende.

Het enige waarvan overduidelijk en onafgebroken sprake is……is Rust. Een alom aanwezig, onuitlegbaar gevoel van Rust dat in al je haarvaten gaat zitten. Een verrukkelijk genoegen, alsof alles klaar en af is, alsof alles zijn eindpunt heeft bereikt en er niets meer te verbeteren of te polijsten valt.

Toch is het niet zo dat alles en iedereen er perfect uitziet want er zijn wel degelijk blinden, dwergen, doven, mongolen en andere misbedeelden, alleen niemand ervaart ze als gebrekkig en zeker niet zijzelf. Ik heb pas veel later begrepen dat er alleen misbedeelden zijn die dat al bij hun geboorte waren. Alsof hun handicap toentertijd ook de bedoeling was, als een perfecte bijzonderheid waar men gewoon rekening mee dient te houden net zoals bij iemand met een uitzonderlijke schoonheid of genialiteit. Maar hier zitten ze totaal niet met hun mankement. Integendeel, er is geen enkel lijden of misnoegen, er is steeds een tevreden rust in hun gezichten te zien. Ze vallen eigenlijk ook niet zo op, zelfs niet als ze in een rolstoel zitten of aan hun bed gekluisterd zijn. Je let er eigenlijk niet echt op.

Maar goed, weer een tijd later (vraag me niet hoeveel tijd later want ik zou het zelfs bij benadering onmogelijk kunnen inschatten) blijken de mensen toch wel aanspreekbaar. Niet dat je daar nou direct een aandrang toe voelt want de Rust in je, je zou het ook een soort Verzadigde Tevredenheid kunnen noemen, geeft daartoe geen enkele aanleiding. Je gaat toch ook niet eten als je dat al net gedaan hebt? Zo ongeveer. Maar juist tegen de tijd dat het woord saai bij je opkomt, de saaiheid van alsmaar Rust, veranderd er weer iets in je, ik weet niet waarom. Het is een soort voortschrijdend inzicht dat van buitenaf in je sluipt en dat zegt dat je verder moet. Zoals je in een onbekende stad maar verder gaat lopen zonder te weten waar naartoe eigenlijk. Je wil om de hoek kijken wat daar nu weer te zien valt.

Ja, dat is het : je ontdekt dat er toch zoiets als een minimale Wil of Nieuwsgierigheid in je opstaat. Dus vroeg ik maar eens de weg en gaven zij een vriendelijk advies over wat je beslist eens moet gaan zien als je toch wat wil.

” Nou, ik wil de filosofen wel eens spreken” , zei ik. En ook vroeg ik me af of er misschien toch zoiets als een hel was, als tegenhanger van al dit Goeds. Voor de filosofen moest ik een eindje naar rechts, voor de hel moest ik de smalle houten trap naar beneden nemen zeiden ze. Ik besloot eerst maar eens de filosofen te bezoeken.

Mijn helden waren er allemaal en zaten zowaar bij elkaar op een terras in koperkleurig licht onder grote jungleachtige planten en bloemen: Nietzsche, Wittgenstein, Russel, Foucault, Spinoza, Kant, Popper.  En de oude Grieken en Romeinen natuurlijk ook,  maar die zaten wat meer bij elkaar aan de rand van het gezelschap: Socrates, Plato, Marcus Aurelius, Epictetus, Epicures. Ze leken in een vrolijk gesprek met elkaar gewikkeld. Je kon ze door de afstand niet goed verstaan maar wel duidelijk jolig horen lachen.

Wittgenstein merkte mij het eerst op. De altijd zo gekwelde Ludwig was nu de kalmte zelf, volkomen op zijn gemak onderuitgezakt in een soort Chesterfield-achtige fauteuil. Hij zat genoeglijk naast Russel. Hun ruzie was kennelijk geheel uit de wereld. Nou ja, uit de …..ja, hoe zou je het hier eigenlijk moeten noemen? De Metawereld, de Bovenwereld, het Walhalla voor mijn part?

Ludwig wenkte mij nadrukkelijk en zei hardop zodat iedereen het kon horen: ” Ha, een nieuwkomer, kom erbij zitten, we kennen je vragen, we zullen je bedienen.”  En hij voegde er aan toe, zichzelf parafraserend: “Waarover men niet kan spreken daar gaan we hier zeker niet over zwijgen.” Het hele gezelschap schaterde het uit. ” Nou ik even, beste nieuwkomer”, zei de dik besnorde Nietzsche opgetogen: “God is niet dood, want hij durft het sterven niet af te maken.”  Weer hilariteit.

Dan staat Socrates langzaam op, draait zich naar me toe en zegt met een vette grijns op zijn nog altijd lelijk pokdalige gezicht: “Ik mag dan wel niets weten maar ……vriend Kant hier, die is er nog veel slechter aan toe ! ” Kant slaat van opperste plezier op zijn knieën maar laat het niet op zich zitten: ” Ze hadden jou veel eerder die gifbeker moeten geven, grote vriend Socrates, dan had jouw trouwe Xantippe nog weleens een mooie man kunnen krijgen, ha!!” Popper, de verklaarde vijand van zekerheid, voegt er nog snel en snedig aan toe: ” nou, mijn lieve Kant, daar zou ik maar niet zo zeker van zijn, want Xantippe vertelde me nog onlangs dat ze erg op jou valt.” Het was onmiddellijk duidelijk: deze giganten houden van elkaar. Ze houden heel veel van elkaar, absoluut.

facebooktwitterlinkedinmail