Pages Navigation Menu

Burnout of ….lost in space?

Op 24 november 2010 verdween Antoni Robin van Houten, 61 jaar, gehuwd, twee kinderen, Hoofd Techlab, Softenergy Ltd. , Amsterdam. Spoorloos. Zijn bizarre verdwijning werd drie dagen later door zijn vrouw Ellen bij de plaatselijke politie gemeld die haar probeerde gerust te stellen met de mededeling dat dit soort verdwijningen regelmatig voorkomt maar meestal loos alarm is omdat de vermiste persoon vrijwel altijd na enkele dagen weer komt opdagen. Maar Antoni kwam niet opdagen na een paar dagen en ook niet na een paar weken of maanden. Hij was definitief uitgewist, onverklaarbaar opgelost als mist voor de zon.

Het politierapport vermeldt : ” ….geen huwelijkse of huiselijke spanningen……geen medische, psychiatrische, financieel belastende of criminele geschiedenis…..burnout en/of psychogene fugue vlgs. geconsulteerde psychiater niet uit te sluiten……..lag in de laatste twee weken voor zijn verdwijning enkele malen niet aanspreekbaar met open ogen starend op bed…..had geen herinnering aan deze toestand……bezittingen en paspoort worden niet vermist……”

Ellen vond een maand na zijn verdwijning een brief met vertrouwelijk erop, verborgen in een woordenboek op zijn bureau, gericht aan zijn vriend Eric B., gedateerd 23 november 2010, de dag voor zijn verdwijning dus. Antoni had kennelijk besloten de brief niet te versturen of was niet in de gelegenheid geweest. Ellen besloot de brief te openen en stuitte op de volgende inhoud.
————————————–
Beste Eric,

Help! Ik ben in mijn hele leven nog nooit zo bang en desperaat geweest en jij bent de enige die ik erover durf te vertellen omdat je de enige bent die ik blind vertrouw en die een geheim kan bewaren. Je moet ruim van geest zijn, en dat ben jij, om mij niet onmiddellijk af te doen als een psychiatrisch geval als ik je vertel wat er met me aan de hand is. Beter gezegd, ik weet niet wat er met me aan de hand is maar het is iets onvoorstelbaar bedreigends. Een soort Armageddon dat zich als een boa constrictor om mij heen lijkt te sluiten. Of als zo’n machine waarin men auto’s samenperst tot een pakketje van één bij één.

Het is zo angstwekkend, buiten elke realiteit en zo ongeloofwaardig dat ik zelfs Ellen er niet van op de hoogte durf te stellen uit angst dat ze me volslagen gek verklaart en de dokter gaat waarschuwen om me op te laten nemen. Niet dat dat een absolute ramp zou zijn maar het zal de wurggreep van Armageddon beslist niet verslappen of uitstellen. Ik kan je van mijn toestand dus alleen maar op de hoogte stellen. En omdat je theoretisch natuurkundige bent kun je misschien enig begrip opbrengen voor bizarre natuurkundige verschijnselen. Want ik denk dat ik daar mogelijk het idiote slachtoffer van ben.

Ik zal een lange aanloop nemen met mijn verhaal zodat je begrijpt dat ik niet impulsief of oppervlakkig over de dingen heb nagedacht maar degelijk genoeg om niet voor gek uitgemaakt te worden.

Welnu. Ik kon me altijd goed voorstellen dat iemand alleen in zijn poëzie wil wonen, of in zijn verhalen. Omdat je de dagelijkse wereld om je heen gewoon te erg vindt. Je moet dan natuurlijk nog steeds met die erge wereld omgaan: werken, eten, slapen, seks hebben desnoods, maar tegelijkertijd er wel steeds voor waken dat je net boven, onder of naast die wereld staat om het uit te kunnen houden. Echt voluit in de wereld stappen, met je voeten in de modder, met je adem in de lucht, met de zon op je huid? Nee, dan verkruimel je, dan verpulver je in no time.

Je wil niet in de kale concrete Werkelijkheid leven maar liever in iets wat er op lijkt of wat men ervoor houdt: het waarschijnlijke, het mogelijke, het aannemelijke. Ja, zoiets kon ik me heel goed voorstellen.

Ik was zelf overigens nooit zo afhakerig maar ik neigde er de laatste tijd wel steeds meer toe omdat ik zo verwoestend moe ben. Het was dus niet geheel ondenkbaar dat er een dag zou komen dat ik de wereld toch zou gaan loslaten. Dat tijd en ruimte tussen de wereld en mij op een of andere manier los gewrikt zouden worden. Dat, hoe zal ik het zeggen, ik er wel zou zijn maar dan wel aan Gene Zijde.

Waarom ik dat juist nu meer dan anders zou willen? Dat weet ik eigenlijk niet precies. Het is een onbestemd verlangen dat ik mijn leven lang onderhuids al gevoeld heb terwijl ik het toch goed heb in het dagelijks leven zou ik zeggen. Goeie vrouw, goeie kinderen, goeie baan, mooi huis, ik hoef echt niks meer dan dat. Maar toch. Het is alsof je iets aan het zoeken bent maar niet weet waarnaar. Alsof je afscheid wil nemen maar niet weet van wie of wat. Afscheid nemen van alles dat zo bijna-gewoon is, als een net niet passende jas of een nauwelijks zichtbaar scheefhangend schilderijtje. Moeilijk uit te leggen allemaal.

Anyway, mijn escape-neiging mocht er dan zijn, maar ik ben natuurlijk geen poëet en geen schrijver. Ik heb er zelfs geen enkel talent voor want het ontbreekt me ten ene male aan verbeelding, aan fantasie. Ik ben net als jij een bètamens. En waarin zou ik dan in godsnaam moeten vluchten? Ik wist het werkelijk niet. Maar dom zo doorgaan kon ik ook niet meer, dat wist ik wel.

En toen gebeurde er iets vreemds. Het was een week of vier terug, op een maandagnamiddag na een slopende werkdag. Ik reed van mijn werk moe naar huis en nam bij de rotonde niet de gebruikelijke eerste afslag naar huis maar de derde afslag, opnieuw de snelweg op. Dat was geen vergissing, geen onoplettendheid, volstrekt niet. Ik deed het bij volle bewustzijn, alleen was het niet mijn bewustzijn, zo voelde het tenminste. Het was een beslissing die geheel buiten en tegen mijn wil ergens in mijn hersens genomen werd. Alsof iemand een wissel omzette naar een duister traject. Het kostte me de grootste moeite om mezelf te dwingen bij het eerstvolgende pompstation te stoppen. Ik stapte uit, ging op zo’n groen metalen bankje langs de parkeerplaats zitten en moest zonder enige beheersing een kwartier lang huilen. Vreemd, want ik huil vrijwel nooit. En ik wist ook niet waarom ik moest huilen. Geen verdriet, geen woede, niks. Het kwam als een overval op een kluis waarin niets van waarde zat.

Er kwam een wat oudere, vriendelijk ogende, kaalhoofdige man met een eigenaardige vijfknobbelige schedel naast mij zitten die vroeg of hij wat voor me kon doen. Ik zei dat ik het niet zou weten. Dat ik op een of andere onduidelijke manier de draad helemaal kwijt was, maar dat het straks wel weer zou gaan.
” Ik snap het. Of misschien niet helemaal maar ik herken het wel, zei hij. Ik heb ook eens zoiets gehad. Op een dag zei ik ineens hardop: ik ga overal mee stoppen. Ik ben er helemaal klaar mee. Maar waarmee ik wilde stoppen en waarmee ik klaar was, ik had geen idee. Whatever het was, ik was er klip en godvergeten klaar mee. Er zat een soort gloeiende bal ergens in mijn kop, die op exploderen stond. Ik ben bijna het raam uitgesprongen om dat te voorkomen, ik zweer het je. Lijkt het daar wat op misschien?” ” Ja, ik weet het eigenlijk niet, zei ik, maar het komt me ook niet als vreemd voor.”

Hij zweeg een tijdje, keek strak voor zich uit, wreef langzaam over zijn vijf knobbels en stak toen een mentholsigaret op. Hij probeerde me te troosten met een goedbedoeld advies: ” Het beste is er maar even helemaal niets mee te doen. Je kan maar het beste elke dag even naar al die gekkigheid in je hoofd gaan zitten kijken. Alsof je aan de kant van een rivier zit en allerlei rotzooi voorbij ziet drijven maar er niets mee hoeft. Zoiets.”

Het leek me geen slecht idee want zelf wist ik niks beters te bedenken en er is niks mis mee ook eens wat van een ander aan te nemen, ook al is het een vreemde met een rare knobbelige schedel. Hij zag er verder wel betrouwbaar uit en leek tenslotte ervaring te hebben, ik niet. Ik bedankte hem hartelijk, gaf hem een hand, stapte enigszins opgelucht weer in de auto en reed naar huis.
In de dagen daarop leek alles weer normaal. Er kwam geen rotzooi in de rivier voorbij drijven alhoewel ik moet toegeven dat het water er wel met de dag troebeler ging uitzien.

Maar toen ik er achteraf over nadacht was het toch niet helemaal waar dat alles weer normaal leek, het klopte niet. Er was iets losgeraakt, iets was verplaatst, van zijn anker af. Ik sliep slechter, was snel afgeleid en ik vond mezelf regelmatig terug starend in het niets. De woensdag en donderdag daarop moest ik braken en stroomde  er lood door al mijn aderen, zo dodelijk vermoeid was ik. Griepje misschien, dacht ik en ik besloot me ziek te melden.

Achteraf gezien waren er dus wel degelijk voortekenen van de toestand waarin ik nu regelmatig zit. Die toestand kan ik het best omschrijven als een soort parallel universum, een toestand aan Gene Zijde waar ik het al eerder over had. Maar dan wel een heel end weg van Deze Zijde. Te ver weg. Het probleem is dat ik niet weet hoe ik daar telkens in terecht kom en wat me er telkens weer uit haalt. Geen idee. En aan Gene Zijde zit ik elke dag opnieuw een tijd lang opgesloten in een of ander wild verhaal dat zich op mij gestort heeft. Alleen is het geen echt verhaal maar de werkelijkheid van zo’n verhaal. Ik bedoel, oorspronkelijk was het een verhaal, een stripboekverhaal dat ik vroeger uit mijn hoofd kende omdat ik het als kind wel honderd maal had gelezen. Misschien wel duizend maal, in de tijd dat ik was opgenomen in het ziekenhuis voor de een of andere ziekte waarvan ik me niets meer herinner en waarover mijn ouders altijd wat geheimzinnig hebben gedaan. Ze brachten me vaak en veel stripboeken die ik dus tot op de draad versleet en verslond: Kapitein Rob, Kick Wilstra, Eric de Noorman, Buck Danny, Dick Bos, noem ze maar op.

Zo’n verhaal stort zich dus nu op mij. Ik word er op een of andere onbevattelijke manier in betrokken alleen is het nu geen verhaal meer maar de onversneden Avontuurlijke Werkelijkheid die kennelijk in dat parallel universum plaatsvindt.
Je zult denken dat het waarschijnlijk een lucide droom is, een koortsdroom of een waanvoorstelling, of een of andere dissociatieve toestand in verband met mijn traumatische jeugdervaringen in het ziekenhuis of zoiets. Dat was ook het eerste waar ik aan dacht, evenals de psychiater die ik natuurlijk consulteerde bang als ik was om mijn verstand te verliezen. Maar hoe verklaar je dan dat ik ineens alles weet van de Zuidzee eilanden zoals kapitein Rob, terwijl ik me daar nog nooit mee bezig gehouden heb omdat het me nooit heeft geïnteresseerd, geen bal! En dat ik astronomisch kan navigeren, zeekaarten kan lezen, en in mijn bed kletsnat wakker wordt en dat het water dan zout als zeewater is?
En zo gaat het ook met de Kick Wilstra voetbalverhalen: ik kan een bal 10 minuten in de lucht houden en dan feilloos in het katteluikje klem schieten! Nooit op voetbal geweest, ik haat voetbal eerlijk gezegd. En bij het Eric de Noorman verhaal is het helemaal buiten elke wet en regel: ik kan ‘s ochtends wakker worden met schrammen en builen op mijn lijf, alsof ik aan een veldslag heb deelgenomen.

Jezus Eric, ik ben langzaam aan het verdwijnen. Elke dag een stukje verder uit de tijd gezogen, vooral s’nachts waardoor Ellen het niet merkt, maar nu ook overdag als ze aan het werk is. Is dit een uitgekiende methode om me compleet te laten verdwijnen, op een onafwendbare manier? Is dit een ondergrondse aanzegging om mij, of misschien wel ons mensen, duidelijk te maken dat het een illusie is dat wij de eigenaar van ons leven zijn? Dat iets of iemand bepaalt hoe ons leven, ons lot verloopt? Of geef ik de foute antwoorden op de verkeerde vragen? Wat is dit in hemelsnaam?

Eric, op dit ogenblik kan ik je niets anders dan heel heel dringend vragen: als ik inderdaad mocht verdwijnen probeer dan uit te zoeken in wat voor surrealistische science fiction ik terecht gekomen ben. Wat dit voor een natuurkundige anomalie is, want zoiets moet het wel zijn. En of er een manier is om het omkeerbaar te maken. Misschien een soort kortsluiting maken in een of ander circuit waardoor de boel weer gereset wordt of zoiets. Of probeer de man met de vijfknobbelige schedel op te sporen, misschien weet hij er iets van, dat zou me niets verbazen. Maar in godsnaam probeer iets!

Je wanhopige Antoni.
———————————-
Tot zover de brief van Antoni. Het hele verhaal kreeg uiteindelijk een onwaarschijnlijk bevreemdende afloop toen Ellen op 17 november 2011, 12 maanden naar Antoni’s verdwijning, een telefoontje vanuit de Fiji eilanden kreeg van een zekere heer Lupardi. Hij verzekerde haar dat Antoni binnen een week in Lautoka op de Fiji eilanden solozeilend zal aankomen en dat ze hem daar in goede gezondheid kan gaan ophalen. En dat heeft ze gedaan. Het was een hele tour om Antoni en zijn zeilschip door de douane te krijgen want hij had geen enkel document aan boord, kon niet vertellen waar hij vandaan kwam, wist zijn naam aanvankelijk niet, maar herkende Ellen wel onmiddellijk. Na 3 weken ondervraging werd hij tenslotte met een medische verklaring het land uitgezet. Maar die medische verklaring was natuurlijk onzin. Neem ik aan.

facebooktwitterlinkedinmail