Pages Navigation Menu

Over de waarheid van morele oordelen

Wetenschappers zijn van mening dat je de waarheid van morele oordelen niet kunt vaststellen. De academische opvatting is dat waarde oordelen altijd subjectief zijn. Ronald Dworkin (1931-2013), rechtsfilosoof op Harvard University, onderzocht deze bewering in zijn recente werk “Rechtvaardiging voor Egels”.

Natuurlijk kun je wetenschappelijke theorieën over hoe zaken werken niet vertalen naar hoe zaken zouden moeten werken. Zoals iets ‘ is’, kun je niet vertalen naar hoe iets ‘zou moeten zijn’. Maar dat betekent nog niet dat je geen waarheid zou kunnen vaststellen van morele oordelen.

Dworkin geeft het volgende voorbeeld van een morele waarheid: “..het is waar, dat je baby’s niet mag martelen”. Een wetenschapper zou dan normaliter stellen: “.. je kunt niet objectief vaststellen of het waar is dat je baby’s niet mag martelen”. Die laatste uitspraak is natuurlijk op zichzelf al weer een waarde oordeel, en wetenschappers slagen er niet in uit dit dilemma te komen. Dworkin concludeert dan ook dat je met empirische wetenschap niets kunt zeggen over de waarheid van morele oordelen. Daar is een andere methode voor nodig.

Op basis van zijn mening dat je ook van morele oordelen waarheid of onwaarheid vast kunt stellen, onderzocht Dworkin het terrein van ethiek, moraal en waarden. Net als Karl Popper gaat hij er van uit dat, in het leven van een mens en in het sociaal verkeer tussen mensen onderling, andere criteria voor waarheid gelden dan voor natuurwetenschappelijk onderzoek.

Zijn belangrijkste stelling is dat bij mensen sprake is van absolute waarden, hij wijst daarbij ieder cultuurrelativisme af. Een mens, met zijn liefde voor het leven en afkeer van de dood, poogt altijd iets goeds van zijn leven te maken, goed in de zin van : een betekenisvol leven te leiden.  In die zin kent iedere mens een eigen ethiek, eigen regels voor hoe hij of zij goed zou kunnen leven. Hij kiest zelf welke waarden hij belangrijk acht in zijn leven.

Het uitgangspunt voor iedere persoonlijke ethiek is de waardigheid van het eigen ’zijn’ als persoon. Niemand ontkent zijn eigen waardigheid. Daar vloeit dus zonder meer de morele regel uit voort dat je derhalve ook de waardigheid van een andere persoon respecteert. Niemand die zich zelf respecteert, zal de waarheid kunnen ontkennen van de morele eis tot respect voor anderen. Objectieve menselijke waarden bestaan dus wel degelijk, zo stelt Dworkin. Waarom een menselijk leven zelfrespect vereist, beschouwt hij als een vraag voor psychologen en antropologen.

Dworkin gaat verder met de opbouw van een objectief waardenschema, een systeem van ethiek en moraal, dat waar is voor iedere mens in iedere cultuur. Zelfrespect en dus respect voor anderen omvat automatisch de eis dat een overheid (de groep van individuen) het objectieve feit accepteert dat individuen ieder op hun eigen wijze betekenis willen geven aan hun eigen leven, anderen daarbij respecterend.

Als objectieve moraal dient een overheid in haar machtsuitoefening al haar burgers gelijkelijk te respecteren en dus al haar burgers met dezelfde zorg voor hun individuele belangen te behandelen. Iedere mens zal in zijn individuele levensethiek deze uitspraak voor waar zal houden. Spinoza noemde dit soort waarheden ‘intuïtief’. Pascal schreef in die zin over de ‘waarheden van het hart’.

Vanuit zijn absolute waardenhiërarchie trekt Dworkin een groot aantal conclusies over ethiek in een individueel menselijk leven en de moraal in menselijke omgang. Het grote verschil met de wereld van wetenschappelijke kennis is volgens Dworkin het feit dat waarheid in individuele situaties per definitie een kwestie van interpretatie is. We kijken als mensen met onze individuele percepties naar een feitelijke situatie.  Op grond van onze eigen/persoonlijke basiswaarden passen we onze morele oordelen toe. Een voorbeeld.

Op de stoep zit een oude uitgemergelde man met een bordje: ik heb honger. Absolute moraal: je mag mensen niet laten verhongeren. We verwachten dat andere mensen ons voedsel geven als we dreigen te verhongeren, en dus willen we anderen ook helpen. Maar zelfs welwillende mensen interpreteren een dergelijke situatie anders. De een geeft voedsel of geld. De ander loopt voorbij en denkt: ‘dat is een taak voor de overheid; zo hebben we dat als burgers afgesproken’. De derde stelt dat deze man pas hulp verdient als hij eerst zichzelf beter respecteert en bijvoorbeeld minder geld aan alcohol uitgeeft. Individuele morele oordelen mogen dan subjectief zijn, de absolute moraal dat je bijvoorbeeld een ander niet mag laten verhongeren is dat niet. Die waarheid delen we allemaal. Onze discussies gaan dus altijd over onze interpretaties van absolute morele waarheden.

Waarom, zo vraagt Dworkin zich af, houden mensen in veel gevallen geen rekening met hun morele overtuigingen? Zijn antwoord: we onthouden anderen het vereiste respect door ze als minder menselijk af te schilderen dan wijzelf. Weer even een voorbeeld: mensen mogen elkaar niet slaan. Maar moslims zijn minder menselijk dan wij, dus in die cultuur mogen vrouwen wel door hun mannen geslagen worden. Maar daarmee overtreden we volgens Dworkin wel de absolute maatstaf van ons eigen zelfrespect.

In zijn lijvige werk construeert de toen 80 jarige Dworkin zorgvuldig zijn absolute waardenschema op basis van een interpreterend perspectief. Hij pareert steeds weer mogelijke tegenargumenten van wetenschappers en cultuurrelativisten. Hij houdt hierbij ook rekening met morele dilemma’s, zoals het beroemde voorbeeld van een vrouw en een kind die dreigen te verdrinken. Natuurlijk red je het kind. Maar als het kind een vreemde is en die vrouw jouw geliefde echtgenote? Dan geldt volgens Dworkin natuurlijk de regel dat volgens de morele regel van de ‘nabijheid’ gehandeld mag worden: het hemd is nader dan de rok.

Het is een verademing om de levensconclusies van deze oude filosoof te lezen. Hij verschaft morele helderheid in de dagelijkse warboel van cultuurrelativisme en individuele opinies. Ook verschaft hij de nodige afstand om onze morele plichten in een globaliserende wereld te beoordelen. Zijn morele norm van nabijheid vraagt ons om allereerst voor onze geliefden te zorgen en daarna naar vermogen iets voor de verdere andere of zelfs de verre andere te betekenen. Ook concludeert hij dat onze morele oordelen niet automatisch de eis tot actie inhouden. Natuurlijk gunnen we ook de Tibetanen hun autonome vrijheid, maar dat betekent nog niet dat we de plicht hebben daarvoor te zorgen. We kunnen tenslotte alleen ethisch en moreel handelen op terreinen waar we effectief iets kunnen bereiken: in de nabijheid van onze eigen wereld.

facebooktwitterlinkedinmail