Pages Navigation Menu

Filosofie versus wetenschap: ideeën van Roger Scruton en Robert Pirsig

Toen in het oude Griekenland Thales kwam met zijn stelling over het bestaan (alles is water..), viel de filosofie nog volledig samen met wetenschap. Nu in de 21e eeuw lijkt het alsof er alleen nog wetenschap bestaat en filosofie gereduceerd is tot analyse van taal. Veel filosofische uitspraken worden door wetenschappers als betekenisloos gekwalificeerd omdat de (on)waarheid van de uitspraak niet op wetenschappelijke wijze aangetoond kan worden. Scruton en Pirsig (foto) verzetten zich fundamenteel tegen deze opvatting. Het wetenschappelijk verklaren van de wereld vormt immers maar een klein deel van de menselijke vragen over de wereld.

Wetenschap beantwoordt slechts een van drie mogelijke ‘waarom’ vragen, namelijk de verklaring van vooral materiële gebeurtenissen of verschijnselen. De onderliggende mechanismen. Het hoe. Omdat iedere wetenschappelijke verklaring altijd een mate van waarschijnlijkheid kent, is wetenschappelijke waarheid nooit absoluut.

Alleen de ‘waarom’ vragen rond de eerste oorzaken van het heelal en het bestaan van leven kan de wetenschap niet beantwoorden: er blijven in de hoogste synthese en de diepste analyse van de wereld altijd vragen over. Die vragen blijven derhalve volgens Scruton een legitiem onderwerp voor filosofische speculatie. Net als Comte-Sponville stelt Scruton dat filosofie geen wetenschap is en nauwelijks zinvol academisch kan worden bedreven. Een mening die ook Schopenhauer al in de 19e eeuw smalend ventileerde jegens academici als Hegel.

Scruton stelt dat wetenschap zich succesvol bezig houdt met onderliggende verklaringen, maar niet met waarom vragen die zich aan de oppervlakte van het dagelijks leven tussen mensen voordoen. De waarom vraag over gebeurtenissen in de zin van: de redenen, de doelen, de motivatie, de rechtvaardiging van menselijke handelingen. En zeker niet met de waarom vraag in de zin van: welke betekenis wordt gehecht aan menselijke ervaringen. Samen met de overblijvende ‘hoe’ vragen, vormen deze andere twee ‘waarom’ vragen dus nog altijd een uiterst vruchtbaar werkterrein voor de filosofie.

Gelukkig maar, stelt Scruton, want de wereld van de wetenschap wordt gevormd door theorieën, welke in zichzelf geen enkele verbinding hebben met menselijke waarden, behalve met die van de onderzoekers. De filosofie blijft nodig om waarden en betekenissen in menselijke samenlevingen te onderzoeken. Filosofie hoeft niet perse te verklaren of te voorspellen, maar mag ook speculeren en oordelen. Dat heeft ze al 2500 jaar gedaan en zal ze ook altijd blijven doen, zolang de mens zich vragen stelt over betekenissen en redenen voor menselijke waardeoordelen. Scruton betreurt ten diepste de kaalslag en vulgariteit welke de puur wetenschappelijke manier van kijken in de menselijke cultuur en de aardse natuur heeft veroorzaakt sedert de 2e helft van de twintigste eeuw.

Robert Pirsig komt vanuit een geheel andere invalshoek tot dezelfde conclusie. Wetenschap denkt alleen in termen van relaties tussen subject en object en laat subjecten alleen waarneembare, meetbare kenmerken, waarden, toekennen aan objecten en noemt die waarden objectief: ‘een groot, zwaar rotsblok van basalt liggend in het water waar vogels op zitten tijdens het ondergaan van de zon’. Beschrijvingen in de vorm van taal en onderliggende vorm.

Alle andere niet meetbare relaties tussen subject en object zijn subjectief, dus persoonlijk, dus niet voor discussie vatbaar, zoals: ‘op een prachtige avond zie ik een rots in de zee, waar vogels nestelen, terwijl ik aan mijn overleden vrouw denk’. Met name door de aanduiding objectief versus subjectief hebben wetenschappers grote delen van de menselijke ervaring tot terrein van persoonlijk kennen verklaard en als niet-wetenschappelijk buiten de maatschappelijke discussie geplaatst.

Pirsig maakt onderscheid tussen klassieke (wetenschappelijke) waarneming naar onderliggende vorm en ‘romantische’ totaalervaringen aan de oppervlakte van de wereld. Naar zijn opvatting is de subject-object visie een te beperkte visie op de wereld. Een mens kent in zijn ervaringen van de wereld altijd een waarde, een kwaliteit, toe aan verschijnselen in de wereld om hem heen. En die waarden zijn niet slechts waarneembare, meetbare, functionele te manipuleren waarden, dat zijn ook spirituele, intellectuele, morele en esthetische waarden. Voor Pirsig vormt waarde, Kwaliteit, de verbindende hogere schakel tussen subject en object, en derhalve de verbinding tussen wetenschap en de wereld van religie, kunst en politiek.

Zoals Wittgenstein de wereld in wetenschappelijke zin beschreef als “alles wat het geval is”, zo beschrijft Pirsig de wereld als “een onuitputtelijke bron van kwaliteit” en stelt hierdoor de hele wereld weer centraal in het filosofisch denken, daar waar Scruton de grens tussen werkgebied van filosofie en wetenschap opnieuw probeert aan te geven.

 

Deel of print dit artikel

facebooktwitterlinkedinmail