Pages Navigation Menu

Zeefilosofie

Ik ben graag op zee. Zeilend dan, solo of met een kleine bemanning die van wanten weet zodat je het nauwelijks over het zeilen zelf hoeft te hebben en er tijd vrij komt om langdurig zwijgend voor je uit te staren. Je doet de trouwe autopiloot aan, gaat  zo comfortabel mogelijk in de kuip zitten, weggedoken in de hoge kraag van het zeilpak en daarna wordt de open zee een enorm projectiescherm van je binnenwereld. Want van zichzelf is de zee volstrekt onverschillig, ze gaat haar gang, ze doet wat ze moet doen, ze heeft je niets te melden en niks met je te maken.

Dus ben je aan jezelf overgeleverd, je verschijnt voor jezelf, meestal op ogenblikken als de eentonigheid van het windgeruis, de repeterende golfslag tegen het schip en de monochroomheid van het zeelandschap lang aanhoudt. Alle emoties raken ook van de vaste wal los en zitten losjes vastgeplakt aan een regenboog van onsamenhangende, telkens over elkaar struikelende en meanderende gedachten. Warmrode opwekkende gedachten, frisgroene ingevingen, kilblauwe rekensommen, donkerbruine ondergangscènes, grijs saaie kronkels, oranje feestelijke seksherinneringen, witte glasheldere inzichtjes, zwartduistere kromgedachten. Geen touw aan vast te knopen.

Je geeft je er maar aan over in de hoop dat ze uiteindelijk leegdruppelen en er niets anders overblijft dan een groot Zenvacuüm waar geen Ik meer in te bekennen is. Op zo’n leeg eindpunt zit meestal een Zenmeester maar zover kom ik nooit, of soms misschien een halve minuutje want echt stil wordt het bij mij nooit daar binnen. Stilte moet je kennelijk veel oefenen en ik ben er niet erg goed in want er komt altijd ongevraagd muziek in mijn hoofd naarmate het stiller wordt. Van alles: bebop riffs, motown hitjes, ineens een melancholieke Elvis ballad, brokjes Brandenburger concert, dan weer Phil Collins in uptempo, enzovoort.

Als je maandenlang op reis bent en je op de lange stukken overgeeft aan mijmeringen, reflectie, aan jezelf leeg gieten, dan word je vanzelf filosoof. Uiteindelijk kom je altijd weer uit op dezelfde dingen: de vrijheid, de liefde, de zin van al het gedoe op aard. En uiteindelijk kom je er natuurlijk niet uit maar wel een stapje verder.

Plotseling hoor ik dichtbij, aan lijzijde van de wind in de maanloze nacht  motorgebrom aanzwellen. Shit, shIT, SHIT, een visser aan zijn contouren en lichten te zien. Niet opgemerkt door al dat veel te lange gedroom. Het angstzweet breekt me uit, het dreigt een head-on collision te worden. Onmiddellijk overstag, uit de ramkoers draaien. Het lukt. Hij loopt op 20 meter achter me langs en verdwijnt snel weer in het zwarte niets, alleen het deinende witte heklichtje is nog een tijdje te zien, phffff. Eenmaal weer veilig op koers en na een beker hete chinese noodlesoep om bij te komen ga ik weer zitten en begint de vrije val van de geest opnieuw.

Gelukkig is er altijd dat uithoekje in je brein dat zich niet gek laat maken door al dat semi gemediteer. Dat hoekje houdt een ragfijn lijntje met de buitenwereld open want als het een motor of vreemd geluid hoort waarschuwt het de vrij zwevende grijze hersenmassa om in actie te komen, om het fatale toeval voor te zijn. Of het alarmeert als ik in de shippinglane terecht dreig te komen want een beetje containerschip heeft mijlen nodig om ook maar iets uit te wijken voor een ramkoers.

Vroeger dacht ik dat die vrije val van de geest de enig werkelijk vrije geest is die zich op die meditatieve ogenblikken manifesteert. Maar na al die reisjes denk ik: nee, er is geen vrijheid, we zijn opgesloten in onze begrensde taal, in onze beperkte kennis en voorkennis, in onbewuste vooroordelen, onzichtbare begrippenkaders, culturele tradities, in collectieve normen en waarden en persoonlijke voorkeuren, ingemetseld in onze tijdgeest. Niks vrije geest. De wereld, ja…, het is een onoverzichtelijke boel, ondanks al mijn filosofische helden die er een systeem in probeerden aan te leggen waar ik zo blij van werd. Althans tijdelijk. We zijn een gated community, dat zijn we.

Ik kan wel begrijpen waarom men dus graag op God, een God, een metafysica wil vertrouwen. Die behoefte begrijp ik heel goed. Maar zelf heb ik die behoefte totaal niet, nooit gehad ook. God is wat de stekel voor een stekelvarken is. Een briljant overlevingshulpmiddel. Maar ik leef tussen nevelige raadsels, duistere mysteries en onopgeloste vraagstukken, keurig in een agnostisch leven.

En wat zingeving betreft is er een eindeloze reeks van aantrekkelijke oneliners te vinden. Zoals: Het leven heeft geen zin maar je moet er wel zin in hebben. Het leven heeft geen zin maar je moet je er wel druk om maken. Het leven heeft geen zin maar ik toevallig wel. Enzovoort. Kortom: zin moet je niet zoeken, je moet hem maken.

En dan de liefde nog. Dat is het enige en enkele wat me werkelijk van belang lijkt voor de mens en mij in het bijzonder. Maar laat ik hierover heel kort zijn want alles over de liefde is sinds de oerknal al gezegd, verbeeld en beluisterd. Nee, wat ik ontdekte is dat hoe verder en langer ik van wal ben hoe romantischer, behoeftiger, intenser de dagelijkse liefde die je thuis ervaart hier van kleur en gedaante verandert. Hoe die onder je huid, in je poriën en haarvaten gaat zitten. Op zee komt er dan ineens zoveel poëzie vrij maar het kwellende is dat ik het er niet uit kan krijgen. Nee, dat zeezeilen is echt onzin, het dient nergens toe en je wordt er beslist niet veel wijzer van. Je voelt je regelmatig ziekig, moe, koud, alleen, verveeld en ongerust. En toch…..

Ik begrijp niet waarom ik niks mooiers en verlokkender kan bedenken en steeds weer weg moet van de kade. Misschien is het wel wat Euripides bedoelt met: de zee wast de vlekken en de wonden van de wereld schoon.

 

-

Deel of print dit artikel

facebooktwitterlinkedinmail