Pages Navigation Menu

Yvette in de Filosofische afgrond 1

James en Jonathan zijn twee fitte, jeugdige pensionado ’s die elkaar een jaar geleden ontmoetten op het haventerras in het liefelijke Griekse vissersdorp B. waar ze beide hun tweede huis hebben. Ze mogen elkaar graag, eigenlijk vanaf het eerste ogenblik, om redenen die beide ook na dat jaar nog steeds niet goed begrijpen want hun persoonlijkheden zijn eerder sterk uiteenlopend dan overlappend. De een zachtmoedig, wankelmoedig en kalm van aard. De ander vrijmoedig, stoutmoedig en van het snel prikkelbare soort. Misschien is het hun beider genadeloos relativisme, hun besmettelijke humor of hun filosofische inslag wat ze in elkaar aantrekt. Maar het is zeker hun neiging om zonder voorbehoud, om zonder enig opgehouden masker hun hoofd en hart naar buiten te keren, wat het tot een bijzondere vriendschap maakt.

Ze spreken elkaar bijna dagelijks bij de vroege ochtendespresso in de schaduw van het zonnige haventerras om, zoals Jonathan het noemt: “filosofisch te ouwehoeren.” Maar onder die lichtvoetigheid van het ouwehoeren zit altijd een onuitgesproken zware laag ernst. Want ze weten inmiddels van elkaar dat ze in hun ogenschijnlijk geslaagde leven eigenlijk meer verloren hebben dan gevonden. En dat maakt dat ze elkaar ervaren als lot- en bondgenoten die in de kenteringsfase van hun leeftijd hunkerend blijven zoeken. Zoeken naar, zoals James het noemt, “een nieuwe, blij fatalistische levenshouding.” Of zoals Jonathan het noemt: “een nog te verwekken esthetische levenshouding.” Whatever dat allemaal voor moet stellen, daar zoeken ze naar.

Op de kade voor hen loopt een rondborstige schoonheid in een rood bikinietje dat op een naaktstrand niet zou opvallen. Kennelijk een verdwaalde strandtoerist of is ze al vroeg op het oorlogspad? Een jonge bezwete visser laat zijn netten ter plekke vallen en roept haar lachend na, met opgeheven armen in een nagebootste vertwijfeling : “wèr hef you bin ol mi laif ?”

James en Jonathan kunnen ook niet ontsnappen aan de druk van hun genen. Jonathan opent: “kijk, dat noemt men nou vragende borsten.” James volgt: “kijk, nou weet je weer waarom je schepper je twee handen gegeven heeft.” De schoonheid verdwijnt glimlachend en triomferend om de hoek waarna de biologische opwinding weer plaats kan maken voor de beschouwende zoektocht van de beide filosofen.

James zegt: “nu we het toch over Schoonheid hebben, is dat zoeken naar die esthetische levenshouding van jou niet te zeer ingegeven door de smaak van onze zintuigen? Door de schone uiterlijke verschijning van iets? Is dat niet een gemakkelijk Epicurisme?”

“Nou nee, niet alleen dat. Er zit ook schoonheid in wiskunde, in de poëzie van de taal, in de genialiteit van creatieve ideeën. Ik denk dat ons brein ook esthetiek ervaart buiten het concreet zintuigelijke van de beeldende kunst, de muziek, het ballet, de architectuur, de kookkunst voor mijn part.”

Ze zwijgen een ogenblik. James denkt na, steekt langzaam een dun sigaartje op en om tijd te winnen besteld hij nog twee espressootjes. Als de ober terugkomt heeft hij het gevonden: “ik geloof het toch niet Jonathan, wat je zegt. Die schone abstracties van de wiskunde, die verrukking van de taal, de glans van het geniale idee, gaan die in feite toch niet allemaal terug op de verbeelding, op beelden, op zintuigelijke voorstellingen in ons brein. Voorgekookte zintuiglijkheid zal ik maar zeggen?”

“Ja, daar heb je een punt. Zou kunnen. Ingewikkelde wiskundige formules zitten misschien wel vast aan een bewust of onbewust picturaal broertje. En veel poëzie is bij uitstek metaforisch, dat is zo. En het geniale idee van de double-helix van ons DNA kwam tenslotte uit een droombeeld van de briljante ontdekker ervan. Ja, je hebt mogelijk een punt slimmie. Maar waar gaan jouw gedachten naar uit bij het zoeken naar een esthetische levenshouding? Want daar zitten we nou als domme Griekse geiten al weken op te herkauwen.”

“Tsja, ik weet het nog steeds niet maar wat mij betreft moet het iets te maken hebben met een boel onzin uit je leven schrappen en wat je dan overhoudt is…..zin, zingeving. En zin, is dat niet het Schone waar het om gaat? Het is zoiets als de Waarheid zoeken: niet zoeken want je zal ‘m niet vinden, maar wat je wel zoveel als mogelijk kan doen is de leugen ontmaskeren en ‘m eruit gooien. Of Geluk zoeken: niet doen, het Geluk zoekt jou wel, als je aan de beurt bent. Of als beeldhouwen: het overbodige wegkappen, wegvijlen, tot er iets moois overblijft dat klopt. Een soort negatieve esthetiek, knowadaimien?”

“Maar wat valt er dan de schrappen, te kappen, te negeren?, vraag ik je af. Wat is dan het Lelijke, het Kwaad, het Slechte, het Zinloze waar we ons niet meer mee zouden moeten bezig houden? Dat bedoel je toch met onzin? Toch?”

“Jazeker. Nou, jij en ik kunnen ons treurige lijstje gemakkelijk aanleggen dacht ik zo. Ik noem maar iets waar we hard van weg moeten rennen these days. Managers, de ebola van de moderne samenleving. De Oppergod Geld die alles heeft vermarkt en rijk en arm telkens weer moreel corrumpeert. En dan de Ondergod God, wiens naam op bommen en Kalashnikov’s staat. Liefdeloze ouders die niet voor hun kinderen gaan staan. En de Heersers die hun macht niet in handen van hun volk willen leggen. De Vuilmakers van de aardkorst die het niks kan verdommen. En-zo-voort. Zoiets denk ik aan.”

“He-le-maal mee eens, maar wat betekent dat? Gaan we minder de krant lezen, meer hoge kunst zien binnen te schrokken? Gaan we meer in de onbespoten natuur rondbanjeren, meer liefde en vriendschap rondstrooien, weg met onze speculerende beleggingen, dood aan de globaliserende megaconcerns bij wie we niet meer zullen kopen?”

Jonathan komt nu op gang:” ehhh…., en weg met de stinkauto, meer donaties tegen het wereldleed, minder vlees en vis, geen plastic zakken meer. Gaan we naar de ethische bankier? Jezus wat een lijst…phfff. Kunnen we het niet wat samenvatten, onder één noemer zien te krijgen?”

James is briljant in puzzels, in patronen en structuren ontdekken, maar dit gaat hem ver te boven. Er zit tenslotte een eind aan begrijpen. “De enige noemer die ik kan bedenken is dat alles wat jij aan praktische dingen opboert in feite gewoon ethiek is. En Wittgenstein schiet me te binnen: alle ethiek is in feite esthetiek. En er zijn er nogal wat soorten ethiek zoals je weet. We moeten er tenminste één uit kiezen, ééntje, om straks niet als gapende bejaarden in de duisternis te verdwijnen. Vinjenie?”

“Ja, mee eens, we moeten ons begrenzen, zoals onze favoriete filosofen al deden. Kant bepaalde de grenzen van ons verstand, Freud de limitaties van ons bewuste, Nietzsche de beknotting van onze moraal en Wittgenstein onze beperktheid  door taal.”

“Die zin rolde in een keer uit je strot, Jonathan. Mooi gezegd. Maar wij zijn een stel ouwe mannen die een aantal levens nodig hebben om überhaupt iets zinnigs te kunnen zeggen.”

“Loser, niet opgeven, morgenvroeg verder, OK?”

Plotseling komt de schoonheid van zonet weer de hoek om, terug van haar missie en die lijkt niet erg geslaagd. Ze heeft een zwaarbewolkt gezicht en loopt met korte furieuze, onelegante stappen, de vuisten gebald. “Schoonheid kan snel van gedaante wisselen, even onthouden James?”

“Wedden dat ze een blauwtje heeft gelopen? Het aangezicht van de liefde lijkt geschonden. Prachtig mooi! Zullen we haar onze troost aanbieden?”, oppert James.

“Dat vind ik nou een evangelisch voorstel van je James. Kunnen we proberen maar ik waarschuw je, met de natuur kom je niet in gesprek en met een kwaaie natuur al helemaal niet. Maar goed, proberen.” Jonathan de Stoutmoedige staat op: “Uh, mam, excuse me, could we ask you something?”

 

 

-

facebooktwitterlinkedinmail