Pages Navigation Menu

Wie is er eigenlijk de baas bij grote bedrijven?

Beursgenoteerde ondernemingen zijn eigendom van de houders van aandelen in dat bedrijf. Volgens de wet dienen directeuren van deze bedrijven derhalve jaarlijks verantwoording af te leggen aan de aandeelhouders over het gevoerde beleid en de behaalde resultaten. Tussentijds zorgt de Raad van Commissarissen van het bedrijf namens de aandeelhouders voor het toezicht. Tot zover de theorie.

Wie met enige regelmaat de verslagen van aandeelhoudersvergaderingen in de economische pers leest, weet dat dergelijke vergaderingen bij beursgenoteerde ondernemingen vaak niet meer dan een gezellige formaliteit zijn. Directies vertellen op deze vergaderingen slechts wat ze zelf willen meedelen op basis van de door henzelf opgestelde agenda. Vragen van aandeelhouders worden beantwoord (maar doorvragen wordt door de voorzitter bijna nooit toegestaan). Opmerkingen worden ‘ter harte genomen’.  Voorstellen worden normaliter goedgekeurd, ook buitenissige welkomstpremies, salarissen en bonussen alsmede toekomstige vertrekpremies voor de directeuren zelf.

Directeuren hebben die macht omdat aandeelhouders voor het merendeel een uiterst anonieme en versnipperde groep vormen. De feitelijke macht van de aandeelhouders verloopt via hun beursorders door de aandelen te kopen of te verkopen. Zoals Rupert Murdoch van News Corporation recent tijdens een aandeelhoudersvergadering zei: “..als ons beleid u niet bevalt, dan verkoopt u uw aandelen toch..”.

Wie wel eens vergaderingen van Raden van Commissarissen of van Raden van Toezicht heeft bijgewoond, weet dat het daar uiterst gemoedelijk aan toe gaat. Directeuren worden voor hun beleid zeker niet op de pijnbank gelegd. Doorvragen of doorzeuren wordt niet op prijs gesteld, dat verpest de sfeer. Gestemd wordt er bijna nooit. Je gaat tenslotte beschaafd met elkaar om. Deze vergaderingen worden meestal ook door de directies zelf voorbereid, vaak via informele besprekingen met individuele leden van een raad.

De conclusie is dus dat directies van beursgenoteerde ondernemingen in de praktijk grotendeels vrij zijn in hun doen en laten, zij het dat ze meestal niet teveel willen afwijken van wat gebruikelijk is in hun kringen of te veel risico willen nemen. Daar zouden ze een slechte naam door kunnen krijgen en dat is schadelijk hun carrière. Mocht het echter misgaan, dan rest bijna altijd een riante vertrekregeling.

In deze zin vertonen directeuren van beursgenoteerde grote overeenkomsten met de middeleeuwse Hertogen. Zij zijn in principe verantwoording verschuldigd aan de Vorst, maar feitelijk alleenheerser in hun eigen gebied.

 

-

facebooktwitterlinkedinmail