Pages Navigation Menu

Yvette in de Filosofische afgrond 3

Klokslag 1900 uur komt Yvette het havenrestaurant binnen. Haar vleselijke wapenuitrusting gaat schuil onder een ruimzittend, hooggekraagd, ei-geel vestje en een vale spijkerbroek. Heel even kan er het kleinste glimlachje af als ze op de beide vrienden toeloopt. James kan het niet laten: “bedrukt gezicht maar…..su-blie-me enkels!”

“In je geitenhok James, we hebben een boel werk te doen, en ik heb je nodig.”

“Dag, jongens. Jongens zijn jullie, maar aardige jongens”, zegt Yvette met een vlakke stem en weer dat vlakke glimlachje. “Ik weet niet eens hoe jullie heten. De titaantje’s?”

 

De jongens stellen zich voor: James H, 63j., gepre-pensioneerd chemicus, getrouwd, twee kinderen, literatuur verslaafd, nachtbraker. Jonathan, 65j., gepensioneerd strafpleiter, getrouwd, drie kinderen, knorrig ochtendmens. Yvette Z, 32j., zonder beroep, zonder man, zonder iets. Ze bestellen een lichte Griekse salade, wat souflaki en een huiswijntje.

“Hoe voel je je?”, vraagt Jonathan.

“Zenuwachtig, alsmaar bloed zenuwachtig. Mijn lijf voelt als dat ene punt waar het glas straks met een knal gaat barsten. Maar je advies was goed, ik heb 5 uur droomloos geslapen.”

De jongens proberen de aanloop tot het echte werk licht te houden met het praten over het leven in Griekenland, het dorp, hun vriendschap, hun filosofische zoekmissie. Hun openhartigheid, bescheidenheid en hun humor maar vooral hun rustige belegenheid doet Yvette denken aan haar vader die ze op haar vijftiende verloor door een auto-ongeluk. Ze mist hem nog altijd, vooral op de ogenblikken als het glas weer op breken staat en ze zichzelf niet meer tot rust kan brengen.

“Ik vind het lief van jullie me zo te willen opvangen maar ik wil niet naar huis gaan zonder het er over te hebben gehad, ik bedoel, jullie idee om de schoonheid naar binnen zien te krijgen. Misschien leer ik nog wat. Over schoonheid heb ik veel nagedacht, natuurlijk ook over mijn eigen zogenaamde schoonheid. Het heeft me nooit iets opgeleverd waarmee ik wat kon, behalve dat ik er van binnen alleen maar lelijker van werd.”

James ziet een opening: “zou het kunnen zijn dat je je misschien teveel hebt bezig gehouden met schoonheid en hoe iedereen daarop reageert? En te weinig met hoe je jezelf tot rust kunt krijgen, hoe je op jezelf reageert?”
Een goeie filosoof stelt de goeie vragen, geeft niet de goeie antwoorden. Hij verheldert, maar lost zelf niks op. Dat hadden de jongens goed geleerd van Socrates en dat hadden ze ook in gedachten bij het opvangen van Yvette.

Yvette moet nadenken. Ze slikt een hap salade weg, neemt een slok wijn en zegt: “mezelf tot rust brengen, ja….rust, daar gaat het inderdaad om. Maar ik ben altijd bang voor rust. Er bestaat een rust die zo zwaar is, die zo op de bodem drukt dat ze er doorheen zakt. En ik wil niet weten in welke horror ik dan terecht kom.” De achterkant van schoonheid verbergt niet zelden een even grote lelijkheid, dat is wel duidelijk.

Jonathan houdt stug vast aan de Socratische methode van vragen stellen: “ja, dan wordt het moeilijk om de schoonheid te verplaatsen naar een plek binnenin die al bezet is met angst en lelijkheid. Toch is de vraag…. tsja, we kunnen er niet omheen: welke duistere angst huist er onder je bodem?”

Yvette aarzelt weer maar zet door. “Ik loog toen ik zei dat ik het niet wist, daarvoor ben ik te lang in therapie geweest. Wat ik bedoel is dat ik het niet wil voelen. Het is te groot en ik wil niet weer in een schroeiende huilbui terecht komen. Eigenlijk komt het hier op neer: kouwe moeder, warme vader, zijn dood, mijn woede en het gemis daarover, waardoor ik in het zinloze Niets terecht ben gekomen …….. en eigenlijk nooit meer echt in de wereld teruggekomen ben.” Haar gezicht is een en al droefgeestigheid. Ze staat plotseling op. “Even wachten”, zegt ze en loopt het restaurant met een snelle pas uit om twee minuten later ‘under control’ weer terug te komen.”

“We snappen het, ‘t is OK”, zegt James.

Yvette moet nu vasthouden aan een filosofische, afstandelijke benadering van haar probleem, om het hoofd boven water te houden. “Aguilar zegt: Schoonheid is de uitwendige vorm van Waarheid. Bij mij is het andersom, mijn zogenaamde Schoonheid is vermomde Lelijkheid. Maar ik heb hem natuurlijk zelf ook lelijk gemaakt. Niet de mannen kan ik daarvoor verantwoordelijk stellen, die doen eigenlijk alleen maar hun ding. Ze zijn ook maar belast met het kruis van lust en begeerte denk je wel eens.”

“En die laag onder de bodem?”, houdt James vol.

“Ja, ik weet, ik voel…..dat daar de ontroostbaarheid zit over mijn eeuwig afwezige ouders. Misschien wel het verlangen naar ontroostbaarheid waarmee ik hen op een of andere duistere manier toch altijd dichtbij houdt. Ik weet het, ik weet het, ik moet daar iets mee. Terug naar de therapeut misschien?”

“Misschien wel”, ondersteunt Jonathan. “En zit er nog meer onder je bodem?”

“Jawel……Het Niets. Hoe zal ik het zeggen.” Ze moet even verzitten voordat ze het kan zeggen.

“In mijn laatste studiejaar beklom ik de Eiger met een studiegenoot, laat in het klimseizoen, langs de lastige kant. Het weer sloeg ineens om, sneeuwstorm, harde wind. We hingen aan een kale wand, konden geen kant uit voor 48 uur, absolute paniek, geen smeekbede hielp, niets hielp. Toen ervoer ik iets gruwelijks wat ik nooit meer kwijt ben geraakt. Dat de natuur waarmee ik me ergens verwant voelde …. totaal onverschillig tegenover je staat, dat je een ding tussen de dingen bent, de lege onmenselijkheid van alles, de monsterlijke zielloosheid van de wereld. Ik kan het niet goed uitleggen. Alsof ik één ogenblik bevolen werd naar de afgrondelijkste, de laatste Waarheid te kijken, naar de volslagen zinledigheid en de blinde toevalligheid van alle bestaan. Ik kan het niet beter uitdrukken want het heeft geen woorden. Het is het Niets, dat Lelijkheid is. Het kleefde zich vast aan me. Nog steeds…… Die nacht stierf Max aan de noordwand van de Eiger. Hypothermie. Ik kwam er levend af, met de helikopter.”
Er valt een volle minuut aangrijpende stilte. De beide mannen kunnen nauwelijks iets uitbrengen.  “Traumatisch…Ongelofelijk…” Niet zozeer vanwege het dramatische verhaal over de fatale bergbeklimming maar vooral door de explosieve kracht van één existentiële ervaring die kennelijk alle fundamenten onder haar hele bestaan opblies.

“Phfff, wat doet zoiets met je?”, zeggen James en Jonathan bijna gelijktijdig.

“Ik weet het niet. Ik werd mezelf vreemd. De wereld werd vreemd. Ik ben iets geworden dat in het Niets is opgehangen. Chronische de-personalisatie en de-realisatie zei de therapeut. Maar dat is een aardse benaming voor iets wat mijlen verder gaat dan een PTSS symptoom. Het is iets onaards, iets volkomen onaards. Ik volgde in die tijd de colleges over Nietzsche en begreep onmiddellijk zijn uitspraak: als je lang in een afgrond kijkt, kijkt de afgrond terug.”

James ziet hier zijn kans schoon. “Nee Yvette, dat zei hij niet, hij zei het anders.
Wie met monsters vecht moet oppassen zelf geen monster te worden. En als je lang in een afgrond kijkt, kijkt de afgrond ook bij jou naar binnen. Dat zei hij.”

Yvette schrikt en het duurt even voordat de boodschap werkelijk tot haar doordringt.

 

-

facebooktwitterlinkedinmail