Pages Navigation Menu

De ondragelijke lichtheid van wet en willekeur

roosevDie opgerekte vrijheid, dames en heren, zeg maar gerust: die ver overstrekte vrijheid die we vandaag de dag hebben, dat gaat natuurlijk een keer mis.  Teveel vrijheid maakt dat iedereen maar zijn eigen persoonlijke Waarheid claimt. En dan krijg je een teveel aan Waarheid. En een teveel aan Waarheid maakt dat je al gauw met je eigen Waarheid denkt je gang maar te kunnen gaan. Ik bedoel dat de bestaande Waarden, Normen en Deugden dan ook individueel en eigengereid geïnterpreteerd gaan worden en naar genoegen tot buiten de wet uitgerekt, uitgeblaat en uitgeleefd. Moet kunnen is het devies.

Eerlijkheid? ‘Het is maar hoe je het opvat’, zegt de bankier. Rechtvaardigheid? ‘De stukken heb ik niet close reading kunnen lezen; ik moet mijn target halen’, zegt de rechter. Gematigdheid? Nog nooit zoveel obesen in de wereld gehad! Edelmoedigheid? ‘Ontslagen en tegelijk dikke bonussen zegt u? Tsja, die bonus had ik toch eerlijk bedongen?’ En God, de goddelijke moraal? God heeft de wereld vermarkt en is sindsdien dood of vertrokken. Hij moet  meer dan genoeg gehad hebben van al die morele vrijheidsstrijders. Hopelijk komt hij nog eens terug met de zeven plagen, dat zal ze leren! Ha! Die meerduidige waarheid, die elastieken ethiek, die verkrachte deugden: om gestoord van te worden.

Hoe krijgen we nu meer sociaal en minder individueel? Met of zonder al teveel inleveren van onze geroemde individualiteit. Hoe kunnen we beiden verzoenen? Hoeveel individuele moraal is genoeg en hoeveel collectieve moraal is nodig? Oud filosofisch probleem.

Om te beginnen: hoe kunnen we tegen het begrip individualiteit aankijken? Individualiteit als een functie van geld en bezit? Hoe meer welvaart, dat wil zeggen hoe meer geld en bezit, hoe meer eigen keuzevrijheid van handelen. En hoe meer keuzevrijheid van handelen, hoe meer men zich als een vrij individu ervaart. Het economische bepaalt ons zelfbewustzijn, zei Marx. Dat leert ons de geschiedenis sinds de oude klassenstrijd gestreden is, nadat de industriële revolutie plaatsvond en de moderne democratie gevestigd werd. En die historische feiten vallen niet meer terug te draaien. In het Westen is die vrijheid en de daaraan gekoppelde moraal inmiddels een product van de liberale economie geworden, van de vrije markt, van het liberale denken.

Keuzevrijheid van handelen wordt natuurlijk voorafgegaan door keuzevrijheid van denken, oftewel het zgn. vrijdenken. Individualiteit is een functie van dat zgn. vrijdenken. Vrijdenken als ongeremd, onbelemmerd, vrij associërend, van elke ruimte van logica en verbeelding gebruik makend type denken dat ons het brein mogelijk maakt. Toen de mogelijkheden van ons denken nog dwingend en bestraffend beperkt werden, door religieuze wet en moraal, door familiecodes, door de mores van rangen en standen, kortom door strenge cultuur en subcultuurtaboes, toen kon een mens nauwelijks een vrijdenker worden. God is: Gij zult niet denken, zegt Nietzsche. Meld de gedachten van je ouders, eisten Stalin en de Stasi.

De Verlichting en de Romantiek brachten weliswaar een grote vrijheid van denken maar daarmee nog niet een bijpassende vrijheid van handelen in de dagelijkse leven. Pas nu, in de moderne tijd wordt die vrijheid van handelen, beter gezegd de limiet van de vrijheid van handelen, goed zichtbaar en daarmee tevens als een serieus probleem ervaren.

Er is dus niets mis met de vrijheid van denken maar wel met de vrijheid van handelen. Die vrijheid van denken moeten we vooral koesteren, bevorderen en bewaren. En die vrijheid van handelen moeten we vooral begrenzen en bewaken. Maar waarmee moeten we die bewaken? Met wetten, regels, codes, voorschriften, procedures, protocollen, etc.? Ja, want omringt door de belemmering van andermans vrijheid smeekt men al gauw om telkens weer nieuwe regels en wetten. Maar daarmee zullen we het niet redden. Echt niet.

Waarmee dan wel? Bij het bewaken van onze handelingsvrijheid helpt onze kennis van de evolutionaire biologie ons een beetje, maar niet veel. We kunnen ons niet goed beroepen op onze of De Natuur, dat wil zeggen niet op het zogenaamde natuurrecht waarop men vanaf de oude Grieken (Plato) tot aan moderne natuurrechtsfilosofen als Kinneging, graag terug zou willen vallen als zijnde een hogere rechtsorde. Immers de (menselijke) natuur zit vol met tweeslachtige evolutionaire, genetische gedragsturing, een onbewuste sturing op zowel het individuele eigenbelang als sturing op het soort- en groepsbelang. En hoe die twee zich tot elkaar verhouden is tot nu toe onmogelijk om vast te stellen.

Nee, wij mensen zullen het niet moeten hebben van het natuurrecht maar eerder van het cultuurrecht. Van de Rede dus, van de redelijkheid, zoals die met pijnlijk vallen en moeizaam opstaan historisch binnen onze cultuur in wet en gebruik is gegroeid. En die cultuur is ook nog eens in de mondiale zin in hoge mate aan het schuren en wringen met andere culturen. Waarbij terzijde wel gezegd moet worden dat er op dit moment, wereldwijd, toch nog nooit zo weinig oorlogen zijn geweest, nog nooit zo weinig ondervoeding en kindersterfte is geweest en de welvaart en levensverwachting voor de wereldburger hoger is dan ooit.

Waar wil ik naar toe? Naar de Redelijkheid, in de Kantiaanse zin. Naar de plicht om redelijk te zijn. Dat een ieder, ter overbrugging van de polariteit individueel-sociaal, altijd een beroep behoort te doen op de Rede als reflecterend oordeelsvermogen. De plicht van ons allen om redelijk te zijn. Het wordt tijd voor een plichtsethiek waarin de ene individuele burger ten overstaan van een burgergroep en  omgekeerd zich verplicht om in een reflecterende dialoog aan te gaan, te zoeken naar een gezamenlijk oordeel wat bij een voorliggende tegenstelling of conflict redelijk is. En in een breder perspectief: naar een plichtsethiek waarin de ene politieke of geestelijke wereldleider cq. bestuurder zich verplicht het eens te worden met de andere over wat redelijk is bij religieuze, politieke en culturele tegenstellingen. Naar de plicht van de een om zich te verbinden, in plaats van te verwijderen van de ander, ongeacht geloof, cultuur of politiek ideaal. Men zoekt zijn opponent op, om hem tot een uiteindelijke bondgenoot te maken.

Deze plichtsethische benadering van conflicten loopt een fundamenteel ander pad dan die waarbij de rechter een wettelijk gefundeerde uitspraak doet over de meestal zo groot mogelijke opgeklopte tegenstellingen die de partijen hem voorleggen. De rechter zoekt vervolgens ter arbitrage naar wat wettelijk voorgeschreven is.  Bij een plichtsethiek daarentegen schrijft de rechter voor dat partijen zoeken naar wat hen als redelijk voorkomt om conflicten te overstijgen en te beëindigen. Dat gezamenlijke zoekproces dwingt, en daar gaat het om, om de onderliggende vooronderstellingen, waarden en normen van beider conflicterende standpunten uit het duister van het eigen gelijk te trekken. En dat volgens het socratisch principe: wie eist bewijst. Of op zijn minst: wie eist argumenteert, op een redelijke wijze.

Ja, er zitten allerlei praktische haken en ogen aan het uitgangspunt van de Redelijkheid, ik weet het. Maar dat mag het plichtsidee niet in de weg staan en dat doet het ook niet als we zien dat in de rechtsspraak er al een klein begin is gemaakt door voorafgaand aan een rechterlijke uitspraak eerst een mediatie poging en onderlinge schikking uit te proberen.

Opnieuw: Redelijkheid kan niet zonder de verplichting zich hardgrondig te verbinden met de ander in plaats van zich af te zetten tegen de ander als het zo uitkomt. Redelijkheid begint met het vertrouwen dat we ‘de boel bij elkaar kunnen houden’ als we dat willen. En ze eindigt ermee om desnoods dat willen tot een verplichting te maken.

En natuurlijk verzet het individuele eigenbelang zich tegen het collectieve groepsbelang en visa versa. Natuurlijk verzet het belang van de ene cultuur zich tegen het belang van de andere cultuur. Maar de enige manier om die eeuwige polariteit te overbruggen en te verzoenen, zowel binnen als tussen culturen, is de harde onverzettelijke wil, ondersteund door de een filosofische plichtsethiek, is de Redelijkheid voorop te stellen.

Het vertrouwen in de Redelijkheid lijkt een naïef uitgangspunt. Dat is het ook tenzij men denkt aan die fraaie uitspraak in de film The Italian job: “Ik vertrouw hem, maar niet de duivel die in hem zit”.

 

-

 

 

 

 

facebooktwitterlinkedinmail